
Brief aan niemand(en)
Op verzoek van de redactie schrijft Changli* over gemeenschappen in China die niet openlijk voor hun cultuur mogen uitkomen, en om die reden nooit in het Chinese paviljoen tijdens de Biënnale van Venetië gerepresenteerd zullen worden. GO TO ENGLISH VERSION
Beste niemand en iedereen,
Ik wil jullie uitnodigen om bij het kampvuur te komen zitten. Stel je voor dat we er een kring omheen vormen en aan de vlammen onze handen warmen. De rook kruipt omhoog, net als de geur van houtskool, en drijft langzaam naar de maan.
Het kampvuur wordt hier aangestoken als symbool van de matrilineaire geest. We worden uitgenodigd in een ruimte tussen realiteit en fictie, waar zien maakt dat je er getuige van bent. Hier kan ik ervaringen delen die onmogelijk na te vertellen zijn, verhalen die geen duidelijk einde hebben, die misschien ook niet om een antwoord vragen. We kunnen hier in ieder geval naar elkaar luisteren en elkaar steunen.
‘Hoe vertel je die onmogelijke verhalen, de verhalen die uit archieven zijn gewist en die verteld moeten blijven worden?’ In Venus in Two Acts stelt Saidiya Hartman ‘critical fabulation’ voor, een methode waarbij archiefonderzoek wordt verweven met kritische theorie en fictie, om de hiaten in de geschiedenis te dichten – verzinsels die dienen als antwoord op verhalen die verteld moeten worden, maar onmogelijk te vertellen zijn.
Sinds 2023 werk ik samen met mijn moeder, Cui, aan het creëren van een fictief personage genaamd Changli Cui. Geworteld in familiearchieven en gedeelde verbeelding, draagt Cui de achternaam van mijn moeder. Ze is samengesteld uit de gezichten van mijn moeder, haar zus en ikzelf.1 Cui zijn wij allemaal tezamen, en tegelijkertijd meer dan wij. Met beelden, geschriften, lichamen en rituelen heb ik een sciencefictionverhaal geschreven over een matriarchale samenleving. Het is zowel een reactie op als een voortzetting van mijn lopende onderzoek naar de symbiose tussen etnische minderheden en feminisme.
Mijn vader heet Zhuang. Op het officiële identiteitsbewijs van mijn moeder staat dat ze Han is, de etnische groep die de meerderheid van de Chinese bevolking vormt. Maar om de een of andere reden bestaat er nog een ander identiteitsbewijs, dat diep verborgen ligt in een archief, alsof het niet zou mogen bestaan. Daarop staat dat mijn moeder Li is, een volk met een lange matrilineaire geschiedenis.
Mijn idee van wie ik ben als ‘etnische minderheid’, wordt volledig bepaald door mijn vader. Vanaf mijn geboorte is zijn geboorteplaats de mijne, zijn etniciteit de mijne, en ook zijn taal de mijne. De voorgeschiedenis van mijn moeder is moedwillig verborgen, weggestopt en alleen een enkele keer zichtbaar geweest. Dit is de patriarchale structuur van het Chinese systeem voor etnische minderheden: een dicht, uitgebreid netwerk dat is geweven uit monogame huwelijken en het kerngezin, en dat vrouwen binnen zijn grenzen bindt. Door middel van beelden, taal en teksten construeert het luchtdichte verhalen die het lichaam van vrouwen disciplineren en ons gevangen houden in bergen en ‘huizen’ waaruit we niet kunnen ontsnappen – ik ben daar, mijn moeder is daar, haar broers en zussen zijn daar, samen met talloze andere vrouwen.
Als etnische minderheden wonen vrouwen vaak in regio’s die economisch gemarginaliseerd zijn en beperkt worden door traditionele praktijken, patriarchale overtuigingen en gendernormen. Tegelijkertijd houdt het vrouw-zijn in dat je onderworpen bent aan patriarchale genderverwachtingen en hun taakverdeling.2 Historisch gezien hebben het bestuur en de culturele infiltratie onder Han-cultuurregimes een diepgaande invloed gehad op de interne structuren van etnische minderheden, waardoor systemen van ‘mannelijke superioriteit en vrouwelijke inferioriteit’ zijn ontstaan die moeilijk te ontmantelen blijven.
Daarom dromen wij, de vrouwen uit die gemeenschappen, van ‘weglopen’ – weg uit het huis van onze vader, het huis van onze echtgenoot, uit de omringende bergen. Ik ben daarop geen uitzondering. Ik heb me talloze keren een ander soort leven voorgesteld: vrijer, zorgzamer, gelijkwaardiger, buiten het patriarchale kader van mijn etnische gemeenschap om. En daarom is deze fictieve identiteit Cui ontstaan, als gesprekspartner tussen archieven en verbeelding, tussen verleden en toekomst. Ze vormt een medium voor het verkennen van niet-lineaire, belichaamde manieren om kennis te produceren die patriarchale verhalen kan weerstaan en overstijgen.
Binnen de overlappende structuren van patriarchale en etnische minderheidssystemen worden de stemmen van vrouwen zoals wij vaak tot zwijgen gebracht. En toch houden we vol. In de mist die aan de bergen kleeft, in de gedoofde sintels van het vuur, in de verhalen die van moeder op dochter worden gefluisterd, in de natuurlijke taal van matrilineaire voorouders. Deze stemmen glippen door de scheuren van gewiste geschiedenissen, reizend door vergeten archieven en dromen.
Tegelijkertijd vraag ik me na al die jaren van weglopen af: wat zijn de gemeenschappelijke strijdpunten die etnische minderheidsvrouwen in China delen met vrouwen in andere delen van de wereld? Is het mogelijk voor ons om raakvlakken te herkennen, en zo een nieuwe solidariteit te creëren van collectief verzet?
Theoretische kaders zoals intersectioneel feminisme en inheems futurisme hebben deze vragen voor mij op een zachte maar krachtige manier gedragen. Ze plaatsen mijn vragen in bredere feministische bewegingen, onthullen zowel de universaliteit als de specificiteit van de onderdrukking van vrouwen en dringen aan op solidariteit over mij en ruimte heen. Ze leren me: hoewel onze onderdrukkingen gelaagd en verschillend zijn, we elkaar toch kunnen steunen, en van elkaar leren en voor elkaar zorgen. We kunnen werken aan een vloeiende en open gemeenschappelijke basis, voor een gedeelde toekomst die verder reikt dan welke enkele etnische identiteit dan ook. Of we nu inheems zijn of tot een etnische minderheid behoren, we verlangen naar een toekomst die geworteld is in het land, spiritualiteit en relationele zorg.
Het is ook een dekoloniale praktijk die terugkijkt naar het verleden, de geschiedenis en het archief, en vooruitblikt op de mogelijkheid van een andere wereld. Wanneer deze verhalen worden verteld, dienen ze als het nieuwe kampvuur, met vlammen helder of vaag, ruimtes groot of klein, die samen een groter, collectief kampvuur vormen. Daar, geworteld in de matrilineaire principes van delen, regeneratie, liefde, gemeenschap, wederkerigheid, evenwicht, een gift-economie en een heilig begrip van het leven, worden verhalen voortgezet en doorgegeven.
Beste niemand en iedereen, ik laat deze brief hier achter, alsof hij bij het kampvuur ligt. Misschien wordt hij gelezen, misschien ook niet. Maar als je er een vertrouwde warmte bij voelt, dan hebben we even samen gezeten.
Ik wens jullie het allerbeste – vrede, vreugde en diepe tevredenheid,
Changli *
* De naam van de auteur is bekend bij de redactie. Deze tekst is uit het Engels vertaald door de redactie.
- Mensen die ook hebben ‘deelgenomen’ aan ons gesprek: Cui (崔), Geboren in de autonome regio Guangxi Zhuang, China, mede-oprichter van het kunstproject Speaking to Nobody en mijn moeder.
- Wang Yixuan & Zong Li, “A New Perspective on Chinese Ethnic Minority Women: The Theory of Intersectionality”, The Journal of Humanities, no. 12, 2019.
Changli





