metropolis m

Özlem Altin, Timeless Landscape, 2024, inkjet print, inkt, olie op doek, diptiek 170 x 205 cm

Özlem Altıns oeuvre is onlangs bekroond met de Hannah Höch Förderpreis. Haar installatie PRISMA laat de bezoeker afdalen in een wereld waar aanraking en verbeelding samensmelten. Schrijver Erika Sprey neemt ons mee in een zintuiglijke ervaring van het werk, dat ons uitnodigt om het vlees van de wereld te voelen. Ze verweeft hierbij reflecties op Octavia Butlers trilogie Xenogenesis en filosofieën over belichaming en zintuiglijk waarnemen.

Twee hoofden steken boven water uit, schouders tegen elkaar leunend, met de voeten, zo stel ik me voor, geplant in de zachte, modderige bodem. Ze lijken elkaar de vraag te stellen: wat voel je aan je water, in die zilte vloeistof waarin je ooit zwom en die nu nog altijd door je heen stroomt, van kruin tot heiligbeen? Wat toont zich in de onderstroom? Wat wil er opwellen vanuit de diepste lagen?

Özlem Altıns installatie PRISMA is een gelaagd samenspel van grote ruimtevullende schilderijen, sculpturale objecten en rood gekleurde gedrukte transparanties. Ze maakt hierbij gebruik van haar eigen fotografisch werk en haar archief van gevonden beelden die ze de afgelopen twintig jaar heeft opgebouwd. Opvallend is dat alle menselijke figuren hun blik afwenden. De gezichten zijn verwassen en onzichtbaar gemaakt, alsof dit werk zich niet zomaar wil laten aankijken – met de ogen op steeltjes, het hoofd op interpretatiestand en het lichaam ongemoeid. PRISMA nodigt uit om de blik naar binnen te keren en af te dalen naar de diepere grondlagen en vulkanische binnenkamers van de aarde. In veel inheemse culturen worden grotten, als baarmoederachtige ruimtes, vereerd als de interface tussen de boven- en onderwereld. Uit haar diepten komt het leven voort en keert het ook weer terug, aangeraakt en getransformeerd door haar reis door een wereldse wereld. Altıns werk bevindt zich in deze voorportalen, in de schemering waar het oerwater de menselijke vorm insluit en deze laat desintegreren in de duisternis. 

Ten aanzien van zoveel aardse, pre-individuele sensualiteit wil mijn lichaam – met een knipoog naar Freud – zich polymorf pervers gedragen, de staat van een kind nog voor haar 5e levensjaar waarin haar genotsbeleving nog niet volledig door opvoeding en socialisatie is ingeperkt en gekanaliseerd, en zich daarom nog vrij van schaamte, walging en moraal zich uitbundig kan hechten uit alles wat zich aandient. Zo wil ik ook bij PRISMA op elke mogelijke belichaamde manier genot putten uit de partiële objecten, stiltes, gebaren en (natuur)elementen waar Altıns schaduwwereld uit bestaat. Ik beeld me in hoe de fotomontages, soms abrupt versneden, soms overschilderd met brede kwaststreken, gaandeweg hun geuren (van mos, regen, aarde, lava) en geluiden (het ruisen van bloed en het borrelen van ingewanden) loslaten. Mijn lichaam wil in haar geheel als een naaktslak over de beelden glijden terwijl het de texturen van de oppervlaktes proeft en de diepere aardtrillingen doorvoelt.

Özlem Altin, detail naked eye (landscape), 2023, inkjet print, inkt, en olie op doek, diptiek

Het vlees van de wereld

Altıns geocollages lijken op een volstrekt eigen manier te willen belichamen wat filosoof Maurice Merleau-Ponty in zijn werk L’Œil et l’esprit (1961) ‘het vlees van de wereld’ (la chair du monde) noemt: de fundamentele verwevenheid tussen het waarnemende lichaam en de waargenomen wereld, het zichtbare en het onzichtbare als één allesomvattend continuum. Altın maakt met zachte hand dit vlees zichtbaar, tastbaar en proefbaar met kwaststreken, assemblages en bezweringen. Het is ook een indringende hand die zich als een tentakel of wortel in de aarde graaft, om daar gestaltes tot rust te brengen en de ogen te sluiten, opdat ze daar hun vorm kunnen vinden en ook weer kunnen loslaten.

De alchemie van de aanraking loopt als een rode draad door Altıns werk. Wanneer de aanraking werkelijk ráákt, zijn zowel aanraker als aangeraakte geïmpliceerd in een wederkerigheid waarin het transcendente andere kan doorschemeren en soms ook fonkelen. Deze aanraking is nooit vrijblijvend, want ze brengt ook transformatie teweeg: formaties die in transitie gaan. Zoals antropoloog Elizabeth Povinelli schrijft in Geontologies: A Requiem for Late Capitalism (2016), vanuit het oogpunt van koolstof bestaat de dood strikt genomen niet, enkel overgangen van de ene toestand in de andere.

Dit verlangen naar, en zelfs honger naar heterogeniteit, is ook een van de kernthema’s van de Amerikaanse schrijfster Octavia Butler. In haar trilogie Xenogenesis – bestaande uit Dawn (1987), Adulthood Rites (1988) en Imago (1989) – biedt ze een van de meest prikkelende reflecties van onze tijd over wat radicale regeneratie zou kunnen betekenen. Dit omvat alles, van genen tot gehele generaties, van het genus mens tot de re-genesis van een verwoeste aarde. Ook in deze boeken wordt het vlees van de wereld op polymorf perverse wijze geproefd, maar dan met nanoscopische precisie, die doordringt tot de meest elementaire deeltjes van het bestaan. Met hun lange, grijze tongen tasten, analyseren en integreren de zogenaamde Oankali, de onooglijke maar buitengewoon intelligente buitenaardse wezens, het menselijke samenspel van cellen, neurotransmitters, DNA en eiwitten, naast alle onstoffelijke dimensies die er onlosmakelijk mee verweven zijn. Zij doorgronden pre-individuele lichamelijke processen – het ruisen van het bloed, het borrelen van de buik – die wij met onze beperkte intelligentie niet in al hun complexiteit kunnen bevatten met slechts het puntje van onze tong.

De Oankali hebben deze genetische informatie van radicaal andere wezens niet alleen nodig om zelf te kunnen evolueren als soort, maar ook om menselijke mankementen te kunnen verhelpen, zoals onze neiging tot ziekte, dominantie en bovenal een (voor hen onbegrijpelijke) intolerantie voor alles en iedereen die anders is – want zij willen niet dat de mensheid de wereld opnieuw vernietigt. Tegelijkertijd is juist die falende, overvloedige menselijkheid  onweerstaanbaar voor hen, omdat doodsdrift ook een overvloed aan leven betekent. De woekering van kankergezwellen kan als het epitoom en de hoogst geprijsde schat worden gezien, omdat het een onmetelijke bron van informatie en regeneratie biedt.

Zonder proeven is er geen evolutie en staat alles stil; alles wordt een oeverloze eeuwige terugkeer van hetzelfde, een doodsdrift die in uitgeholde, bevroren herhaling valt en daardoor geen beweging kan maken. Maar, zo lijkt Octavia Butler ook te willen zeggen, ook het omgekeerde is waar: wanneer het om het mysterie van leven en dood gaat, zijn zogenaamd hogere intelligentievormen, zoals de Oankali, of mogelijk zelfs ook op een gegeven moment AI uiteindelijk niet te doorgronden. Dit mysterie verschanst zich in de diepste duisternis van grotten die reiken tot aan de kern van de aarde.

Özlem Altin, Topography (of time, of body), 2019, inkjet print, inkt, olie op doek

Altins werk ligt in het verlengde van mystieke tradities die direct kennis van de wereld vergaren door middel van het geanimeerde lichaam.

Mystieke tradities

Vooralsnog bevinden we ons in een wereld van kleur en schaduw. Mijn blikveld raakt doordrenkt met vurig rood, vlezig roze en dan weer een melkachtig wit, alsof het langzaam bedekt wordt door een web van witte schimmeldraden, de hyphae. In de ruimtes van PRISMA weet ik me omhuld en geborgen, terwijl af en toe een subliminaal gebaar of beeld oplicht, zich aan mij onthullend en dan weer verhullend, zoals in een droom of bij een onwillekeurige herinnering.

Altıns werk ligt in het verlengde van mystieke tradities die direct kennis van de wereld vergaren door middel van het geanimeerde lichaam. Vliezen, papillen, neusharen en poriën maken hun slakkengang door tijd en ruimte, terwijl het geheugen, als een subliem reservoir, met elke adem groeit en meebeweegt, en soms ook als een geiser in het heden doorbreekt om de waarneming te overspoelen. Tegelijkertijd schrijft filosoof Henri Bergson in Matter and Memory (1896), ‘bestaat er geen perceptie die niet overloopt van herinneringen. Wij mensen vermengen duizend details van onze verleden ervaringen met de onmiddellijke, aanwezige data van onze zintuigen.’ Dit reservoir is geen persoonlijke bagage die het individu eenzaam met zich meetorst, maar een pre-individuele aquifer waaruit het collectieve geheugen put en waarin het zichzelf ook weer in vergetelheid dompelt zonder voorgoed te vergaan.

Dit maakt Altıns werk niet alleen regeneratief maar ook geniaal, in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Genius, de Romeinse godheid die over het leven waakt van geboorte tot aan de dood, laat zich niet zomaar toe-eigenen en zeker niet door het Ego. Zo is, aldus Giorgio Agamben in Profanations (2005), Genius ‘de meest intieme en persoonlijke god, maar ook dat wat het meest onpersoonlijk in ons is; het is de personificatie van datgene in ons wat ons overstijgt en te boven gaat. Genius is ons leven niet voor zover het door ons is ontstaan, maar eerder voor zover wij eruit zijn ontstaan.’ Dit pre-individuele, geniale deel is niet iets wat we tijdens de kindertijd voorgoed achter ons laten, om daarna weer op te roepen op momenten van versmelting en vervoering. Het is altijd aanwezig in ons, vreemd, intiem en onafscheidelijk, meebewegend in elke adem van en aanraking met het geanimeerde lichaam.

Deze tekst is eerder gepubliceerd in Metropolis M Nummer 6-2024/25

In 2024 is aan Özlem Altin de Hannah Höch Förderpreis toegekend. In dat kader presenteerde ze de tentoonstelling Prisma in de Berlinische Galerie in Berlijn (8.6 t/m 14.10.2024)

Erika Sprey

is onderzoeker, procesbegeleider en curator

Recente artikelen