metropolis m

Miloš Trakilović, Colorless Green Freedosm Sleep Furiously, 2023, HD video / video still, courtesy de kunstenaar.

De pijn van een oorlog werkt meerdere generaties door en vraagt daarom aandacht, van ouder tot kind. Lena van Tijen schrijft aan de hand van het werk van onder anderen Milos Trakilović, Elma Čavčić en Maurits de Bruijn over herdenkingscultuur.

Eén

Terwijl op een zwart scherm de logo’s van filmproducenten verschijnen, klinkt het statische geruis van een afstemmende radio. Het signaal is even stabiel genoeg om de stem van een nieuwslezeres te ontwaren die het volgende zegt: ‘Vandaag uitte president Clinton zijn bezorgdheid over de verslechterende situatie in Sarajevo.’ De zender verspringt. ‘Wanneer mensen mij vragen, lieve luisteraars, waarom ik alle Tutsi’s haat, zeg ik: lees onze geschiedenis’, verkondigt een man op Hutu Power Radio, waarna hij een betoog afsteekt dat bol staat van haat.
Dit is de openingsscène van Hotel Rwanda (2004), geregisseerd door Terry George, een film gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het verhaal speelt zich af in Kigali in 1994. Na de moord op de Rwandese president Juvénal Habyarimana slaan de spanningen tussen Hutu’s en Tutsi’s om in een bloedige genocide. Terwijl Hutu-milities de Tutsi-bevolking aanvallen, biedt hotelmanager Paul Rusesabagina onderdak aan meer dan duizend vluchtelingen in zijn hotel en riskeert daarmee zijn eigen leven.

Een ander continent. Twee mannen in provisorische militaire uniformen zitten achter een geïmproviseerde schervenmuur van boomstronken en stenen. Het is de jaren negentig en de Bosnische oorlog is in volle gang. Voor hen ligt een loopgraaf in niemandsland – een verlaten strook grond tussen de vijandelijke linies, waar een Bosniak en een Bosnisch-Servische soldaat samen vastzitten. Terwijl ze elkaar wantrouwen en bekvechten, ontdekken ze dat een derde soldaat, gewond en bewusteloos, op een mijn ligt die zal ontploffen als hij beweegt.
Een van de mannen die deze uitzichtloze situatie op afstand gadeslaat, leest intussen de krant. ‘Oef!’, roept hij opgewonden. Wanneer zijn kameraad niet reageert, herhaalt hij het nog eens, tot die vraagt wat er aan de hand is. ‘Moet je zien! Herres in Rwanda’, zegt hij, waarna zijn maat zich geërgerd omdraait, richting het noodlot dat zich vlak voor hen afspeelt. Dit is een scène uit No Man’s Land (2001), de film waarmee regisseur Danis Tanović in 2002 de Oscar voor Best Foreign Language Film won.

Het laatste decennium van de vorige eeuw werd getekend door meerdere bloedige genocides. Het vaakst genoemd zijn de Rwandese genocide van 1994 en de Srebrenica-genocide van 1995. In Rwanda werden in ongeveer honderd dagen naar schatting 800.000 tot 1.000.000 mensen vermoord, voornamelijk Tutsi’s, maar ook gematigde Hutu’s. Tijdens de val van Srebrenica executeerden Bosnisch-Servische troepen circa 8.000 Bosniakse (moslim) mannen en jongens.
Opvallend aan de twee speelfilms die het massale geweld uit die tijd thematiseren, is dat ze allebei ook verwijzen naar ‘die andere genocide’. In beide scenario’s zit een scène waarin het geweld wordt gecontextualiseerd en daardoor enigszins gerelativeerd. De filmmakers gebruiken nieuwsberichten om te laten zien dat, terwijl deze verschrikkelijke verhalen zich ontvouwen, elders in de wereld conflicten woeden die sommige personages – in contrast met hun eigen situatie – als ‘echt’ ernstig beschouwen. Hiermee wordt een mechanisme blootgelegd: om een oorlog te overleven moet men compartimentaliseren. Dit doet men met gedachten als: maar elders is het nóg erger. Datzelfde mechanisme wordt ook door plegers van geweld ingezet. Bij hen krijgt dit idee de vorm van een bevrijdend excuus: ja, wij moorden, maar de moordenaars bevinden zich mijlen verderop. De echte beesten; dat zijn zij.

Elma Čavčić, The radio told us to leave immediately, 2022, acryl op linnen, 200 x 150 cm, courtesy de kunstenaar

Twee

Bij binnenkomst in de tentoonstelling De 11 stemmen van Srebrenica (03.7 t/m 14.9.2025) in Fotodok, wordt de bezoeker geconfronteerd met twee grote schilderijen van Elma Čavčić uit een vierluik dat in Utrecht niet in zijn geheel te zien is. De doeken, beide anderhalf bij twee meter groot, tonen interieurs die volgens de kunstenaar ‘oma’s liefelijke, warme huisgevoel’ uitstralen, maar tegelijk hinten op het afschuwelijke geweld dat zelfs verscholen zit tussen vrolijk behang, kleurrijke tapijten en kanten tafelkleedjes.

Op het schilderij dat een woonkamer verbeeldt, kijkt een nors portret van Josip Broz Tito, leider van voormalig Joegoslavië, uit over een tafel met een spinnenwiel en twee omgevallen stoelen. Het zorgvuldig gekloste tafellaken is scheefgetrokken, een fildžan – een kopje voor Bosnische koffie – ligt omgestoten en laat zijn inhoud in een eeuwige stroom neerkletteren op het tapijt. In een volle asbak rust een sigaret, haar rookpluim kringelt langs de keurige servieskast waarop een boombox staat. Naast de asbak liggen een aansteker en drie kogelhulzen.

Op het andere schilderij is een keuken te zien met daarin een divan. Het deurtje van de houtgestookte oven staat open. Daarin staat een schaal met een goudbruine burek, een traditionele hartige deegtaart, af te koelen. Dit huiselijke tafereel is allesbehalve gemoedelijk. De scheurkalender boven het fornuis vermeldt 27 juli 1995, de dag waarop Žepa viel, dat, net als Srebrenica, door de Verenigde Naties tot veilige zone was verklaard. Op de muur naast de kalender tekenen zich zongebleekte rechthoeken af: vermoedelijk de sporen van losgerukte familiefoto’s, met daarnaast twee kogelgaten. Tegen de vitrage in het raamkozijn leunen twee tactisch geplaatste Kalashnikovs. In de hoeken van het doek steken uitgetelde ledematen het kader in.
Čavčić toont het oorlogsgeweld niet expliciet, maar maakt het daardoor des te voelbaarder. Het sluimerende besef dat haar werk oproept, sluit aan bij haar eigen achtergrond. Via het verbeelden van de verhalen van haar ouders, die de oorlog in Žepa doormaakten, probeert de in 1995 geboren kunstenaar een geschiedenis te doorvoelen die ze zelf niet bewust heeft meegemaakt, maar die haar leven wel heeft getekend.

Voor Miloš Trakilović geldt iets vergelijkbaars. De kunstenaar werd in 1989 geboren in Tuzla, Joegoslavië (het huidige Bosnië en Herzegovina) en vluchtte in 1995, na de val van Srebrenica, met zijn familie naar Nederland. In zijn film Colorless Green Freedoms Sleep Furiously (2023), gemaakt tijdens zijn residentie aan de Rijksakademie, onderzoekt hij samen met zijn moeder oorlogsherinneringen en het moment waarop zij voor het eerst weer iets ervoer dat op vrijheid leek. Tegelijkertijd stelt hij zichzelf de vraag of ook hij vrijheid kan voelen. My mother harbors the memory of war as a sort of unredeemed but never lost image zegt Trakilović in de voice-over. ‘She can toggle it on and off almost like a light switch.’ Om dit vermogen invoelbaar te maken, legt hij in zijn film de nadruk op de betekenis van de kleur groen. Beelden van de weelderige bergen in Bosnië wisselen zich af met droneopnames van de Nederlandse hei en met zelfgemaakte 3D-animaties van etherische velden, gekleurd in fris, spookachtig groen.

Voor Trakilović staat groen symbool voor vrijheid. Hoe dubbelzinnig en kwetsbaar dat begrip is, toont hij in twee scènes. In de eerste verschijnen nog altijd met kogelgaten doorzeefde gevels van gebouwen in het hedendaagse Bosnië en Herzegovina, waar gescheurde en verbleekte groene doeken voor de ramen hangen. Het zijn noodhulpdekens die tijdens de oorlog werden uitgedeeld en door bewoners werden gebruikt om de ramen te blinderen. Tijdens de zeldzame momenten waarop er in die jaren stroom was, richtten sluipschutters namelijk hun vizieren op het fragiele licht.

In een andere scène vertelt zijn moeder over het moment dat zij, na haar vlucht naar Nederland, voor het eerst een gevoel van vrijheid ervoer. Na drieënhalve maand in een asielzoekerscentrum te hebben doorgebracht, zat ze op een bankje in een park. Haar blik rustte op een klein grasperkje en haar gedachten dreven weg. Het groene gras veranderde plots in een van de mooiste dingen die ze ooit had gezien: zo prachtig, zo fel, maar vooral zó vrij. Aan het einde van de film vraagt ze in het Bosnisch: ‘Sorry dat ik je onderbreek, maar waarom ben jij nog steeds zo geïnteresseerd in de oorlog in Bosnië en Herzegovina? In persoonlijke zin.’ ‘Omdat ik het me herinner, maar het niet begrijp’, antwoordt de kunstenaar. ‘Wat herinner je je dan?’ vraagt ze. De scène stopt en de vraag blijft hangen.

In Rwanda zet de theatermaakster Hope Azeda zich in voor Kwibuka, een Kinyarwandese term die ‘herinneren’ of ‘herdenken’ betekent en vooral gebruikt wordt voor de jaarlijkse herdenkingen van de genocide tegen de Tutsi in 1994. Azeda groeide op als vluchteling in Oeganda en keerde later terug naar Rwanda, waar zij de Mashirika Performing Arts and Media Company oprichtte. Met dit gezelschap maakte zij meer dan zeventig producties, waaronder Africa’s Hope (2004) en Generation 25 (2019). Africa’s Hope, opgevoerd bij de tiende herdenking van de genocide, vertelt vanuit het perspectief van een kind dat worstelt met verlies en de vragen die de genocide oproept. De voorstelling duurt 100 minuten, als verwijzing naar de honderd dagen waarin de slachtingen plaatsvonden. Generation 25, gemaakt bij de vijfentwintigste herdenking, richt zich op een nieuwe generatie Rwandezen die na de genocide is opgegroeid, soms in vluchtelingenkampen, als wees of als kind van een dader of slachtoffer.

In tegenstelling tot Čavčić en Trakilović maakte Azeda, geboren rond 1972, de genocide in Rwanda bewust mee. Toch geeft de theatermaakster geregeld stem aan degenen voor wie herinneringen fragmenten blijven, onmogelijk te ordenen tot een coherent geheel. Door dit te doen toont Azeda uit tweede hand wat Čavčić en Trakilović uit eerste hand uitdragen. Voor kinderen geboren tijdens of vlak na een genocide is de verdeling in slachtoffers, daders en bijstanders minder belangrijk. Voor hen gaat het niet zozeer over verdriet, schuld of angst; het gaat over ervaring. Over het delen van al deze emoties. Over het feit dat één generatie – of beter gezegd een halve – helemaal niet zo ver weg ligt in de tijd.

Elma Čavčić, Coffee time with the neighbors turned into big tea, 2025, acryl en oliepastels op linnen, 150 x 200 cm, courtesy de kunstenaar

Anderhalf

In Ook mijn Holocaust (2020) beschrijft Maurits de Bruijn hoe de oorlogservaringen van zijn moeder ook hem hebben gevormd. Zijn moeder werd in 1943 geboren in een joods gezin in Amsterdam. Een maand later werden haar ouders en zusjes gedeporteerd naar Sobibór en vermoord. Alleen zij ontsnapte dankzij behulpzame buren aan deportatie en werd geadopteerd door een gereformeerd echtpaar in Maasland. De Bruijn groeide op met het verhaal van zijn moeder. Op zijn twaalfde, tijdens een groepsreis naar Israël, beseft hij dat haar geschiedenis ook de zijne is: hij draagt niet alleen haar trauma, maar ook haar joodse identiteit.

Deze tussenstaat – een gevoelde, maar niet of nauwelijks doorleefde geschiedenis – wordt door Judith Belinfante een naam gegeven. De schrijfster en voormalig politica werd, net als de moeder van De Bruijn, geboren in 1943, tijdens het onderduiken van haar ouders. Een niet-joodse vrouw gaf haar op als dochter bij de burgerlijke stand. Na twee jaar moest zij afscheid nemen van haar schijnmoeder om zich weer bij haar geboorteouders te voegen. Maar hun onderduikjaren hadden hen onherstelbaar beschadigd, en ook Belinfante had de oorlog onbewust, maar niet ongeschonden, doorstaan. ‘Het etiket “tweede generatie” duidt te veel op ouders en ontkent eigenlijk de zelfstandigheid van hun kinderen’, zegt zij in een interview. ‘Ik behoor tot de “anderhalfste generatie”, de overlevertjes.’

In zijn boek Geweten (2025) verschuift De Bruijn de aandacht van het erven van trauma naar de verantwoordelijkheid die bij een volgende generatie komt te liggen. Het gaat hem daarbij niet enkel om de doorwerking van het verleden, maar om de vraag hoe wij die erkennen – hoe wij, met die kennis, reageren op geweld en onderdrukking van nu. In het geval van Geweten is de link met Gaza onontkoombaar. Terwijl in Europa en Israël de Shoah wordt herdacht, ondergaan burgers in Palestina opnieuw een genocide die onschuldigen treft, kinderen tekent en toekomstige generaties met overgeërfde pijn zal belasten – generaties die nu al in hun bestaan worden bedreigd. Wat De Bruijn, net als kunstenaars Elma Čavčić en Miloš Trakilović, zichtbaar maakt, is dat zulke pijn zich steeds opnieuw aandient. Om in de woorden van Hope Azeda te spreken, de anderhalfste generatie belichaamt het vermogen om met de ogen van een kind te kijken naar wat volwassenen hebben verwoest: een blik die niet wegkijkt, maar des te scherper ziet wat er werkelijk speelt. En daarin schuilt de moeilijkste waarheid: de beesten zijn nooit ver weg, ze zijn zelfs dichterbij dan de meeste van ons willen erkennen.

METROPOLIS M KAN NIET ZONDER JE STEUN

Trouwe lezers vormen het fundament van Metropolis M. Wij kunnen niet zonder je steun. Je kunt ons steunen door een jaarabonnement af te sluiten. Het eerste jaar krijg je 40% korting. Een regulier jaarabonnement kost 58 euro. Er zijn ook kortingsabonnementen. Studenten/65plussers/CJP-ers/Personen met een minimuminkomen en PLATFORM BK-leden betalen slechts 36 euro voor hun jaarabonnement. Op DEZE PAGINA lees je meer over de verschillende abonnementssoorten en kun je je direct aanmelden.

BIJ VOORBAAT DANK!

DEZE TEKST IS EERDER GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 5-2026

Werk van Milos Trakilović is momenteel te zien in Positions #9 – Make Some Noise: Desire. Stage. Change, Van Abbemusem, Eindhoven, t/m 20.9.2026

Het werk van Elma Čavčić was te zien bij het Koninklijk Paleis Amsterdam in het kader van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst.

Lena van Tijen

is schrijver

Recente artikelen