
De collaterale status voorbij – Palestina op de Biënnale van Venetië
De beslissing van de Biënnale van Venetië om het Israëlische paviljoen in 2026 onder te brengen in de Arsenale heeft opnieuw een fel debat losgemaakt over de politieke verantwoordelijkheid van de kunstwereld. Als Israël zichtbaar blijft op het grootste kunstpodium ter wereld, waarom ontbreekt Palestina daar nog altijd als volwaardig nationaal paviljoen? GO TO ENGLISH VERSION
Wat definieert een natiestaat? Is het grondgebied, een vlag, een gedeelde cultuur, geschiedenis of internationale erkenning? Van de 193 lidstaten van de Verenigde Naties erkennen 157 Palestina officieel als soevereine staat, wat neerkomt op meer dan 80% van alle landen. Israël wordt erkend door 166 van de 193 lidstaten, slechts een klein numeriek verschil in vergelijking met Palestina, maar het betekent een wereld van verschil in behandeling. Italië erkent, net als Nederland, Palestina niet en daarom voldoet het niet aan de Italiaanse criteria voor een officieel nationaal paviljoen op de Biënnale van Venetië.1 Dit betekent dat Palestijnse kunstenaars en tentoonstellingen voortdurend dreigen te worden gedegradeerd tot ‘collateral events’, wat een weerspiegeling is van de bredere uitsluiting van Palestina van een plaats aan tafel op het internationale toneel.
Tot voor kort was Palestina zelfs niet als side-event aanwezig op de Biënnale van Venetië. Palestine c/o Venice in 2009 op de 53e Biënnale van Venetië, samengesteld door de beroemde Palestijnse kunsthistoricus Salwa Mikdadi, was de eerste in zijn soort. Er werden werken getoond van Emily Jacir, Taysir Batniji, Khalil Rabah, Shadi HabibAllah, Jawad Al Malhi en het architectenduo Sandi Hilal en Alessandro Petti. Jacirs locatiespecifieke project, stazione (2008-9), bestond uit het vertalen en weergeven van de haltes van vaporetto-lijn 1 in het Arabisch om de historische banden van Venetië met de Arabische wereld op de voorgrond te plaatsen. Ondanks de goedkeuring van de Biënnale censureerde de gemeenteraad het project omdat het als polariserend werd beschouwd. Blijkbaar is alleen al het zien van Arabisch op de gewijde vaporetto-haltes van de stad genoeg om Venetiaanse ambtenaren in rep en roer te brengen.
Twee jaar eerder, tijdens de 52e Biënnale van Venetië in 2007, won Jacir de Gouden Leeuw (voor kunstenaars onder de veertig) voor haar werk Materials for a Film (2005-heden). Het project volgde de moord op de Palestijnse schrijver Wael Zuaiter door Mossad-agenten in 1972 in Rome. De moord op Zuaiter was de eerste in een lange reeks van moorden op Palestijnse culturele figuren door de Israëlische inlichtingendienst.2 Jacirs werk lijkt alleen maar relevanter in het licht van de genocide van Israël in Gaza, de vernietiging van alle culturele infrastructuur en de voortdurende gerichte moorden op kunstenaars, intellectuelen en journalisten. Het laat zien hoe de Palestijnse culturele productie door de Israëlische staat als een bedreiging wordt gezien, omdat deze put uit een lang en rijk erfgoed dat de Palestijnen verbindt met hun (thuis)land. Bovendien versterkt het de Palestijnse aanwezigheid, zowel historisch als hedendaags, en ondermijnt het daarmee de Israëlische ‘hasbara’ (zionistische propaganda) dat Palestina ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ was.
Palestijnse tentoonstellingen op de Biënnale zijn de afgelopen jaren misschien wel toegenomen, maar ze zijn nog steeds schaars. Andere belangrijke officiële Palestijnse nevenevenementen zijn onder meer Otherwise Occupied (2013) van de kunstenaars Bashir Makhoul en Aissa Deebi, het project From Palestine with Art (2022) van het in Connecticut gevestigde Palestine Museum US, en de samenwerking van het in Bethlehem gevestigde Dar Jacir met het platform Artists + Allies x Hebron (opgericht door de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Adam Broomberg en de Palestijnse activist Issa Amro) South West Bank: Landworks, Collective Action and Sound (2024).
Wurggreep
Er zijn meerdere factoren die een rol spelen bij de schaarse aanwezigheid van Palestijnen op de Biënnale. Ten eerste hebben de voortdurende inbreuk van Israël op de Westelijke Jordaanoever en, vóór de genocide, de verstikking van Gaza sinds 2007, de kunstgemeenschappen in Palestina in een wurggreep gehouden. Een streng regime van avondklokken, vergunningen, afsluitingen en controleposten beperkt al decennialang de mobiliteit van kunstenaars, kunstwerken en internationale uitwisselingen. Palestijnse kunstenaars met Israëlisch staatsburgerschap (Palestijnen van 1948) hebben te maken met toenemende censuur, cancelcultuur en bezuinigingen op financiering als gevolg van extremistisch etnisch-nationalistisch cultuurbeleid dat loyaliteit aan de Israëlische staat eist (met andere woorden: instemming met het oprichtingsverhaal en het joodse karakter ervan) en herdenking van de Nakba verbiedt. Voeg daarbij dat de internationale financiering voor Palestijnse culturele initiatieven over het algemeen is afgenomen en het probleem is duidelijk. Overigens mag ook de druk van pro-Israëlische lobby’s om Palestijnse kunst en kunstenaars weg te houden van prestigieuze internationale kunstevenementen niet worden onderschat.
Israël daarentegen heeft sinds 1952 een permanent paviljoen in de Giardini. Gedurende deze 74 jaar waren Palestijnse kunstenaars met de Israëlische nationaliteit, die 21% van de bevolking uitmaken, niet vertegenwoordigd, met als enige uitzondering 1986, toen Asad Azi en Ibrahim Nubani deelnamen. Ook hier speelt het problematische begrip ‘nationale vertegenwoordiging’ een rol: wat betekent nationale vertegenwoordiging eigenlijk in een apartheidsstaat? Zuid-Afrika werd in 1968 uitgesloten van deelname aan de Biënnale van Venetië en pas in 1993 weer toegelaten, toen de apartheid werd afgeschaft. Kijk naar Israël, waar decennia van illegale bezetting, landroof, geweld door kolonisten, apartheid, etnische zuiveringen en nu genocide niet hebben geleid tot een officiële boycot. De internationale gemeenschap blijft Israël onverminderd beschermen. Het lijkt er zelfs op dat elke (tegen)actie van de internationale gemeenschap een erkenning zou zijn van haar eigen medeplichtigheid in deze kwestie. Afgezien van af en toe wat gemor, zijn er geen betekenisvolle sancties, boycots of pogingen om een genocidale staat van het wereldtoneel te isoleren. Israël blijft ongestraft deelnemen aan internationale evenementen zoals het Eurovisiesongfestival en de Olympische Spelen. En ondanks het feit dat het zijn associatieovereenkomst met de EU op het gebied van mensenrechten ernstig heeft geschonden, is het niet geschorst. Vergelijk dit met de verontwaardiging die Russische deelname op regeringsniveau heeft veroorzaakt: 22 ministers van Buitenlandse Zaken en Cultuur hebben opgeroepen tot uitsluiting van Rusland en de Europese Commissie heeft gedreigd 2 miljoen aan financiering voor de Biënnale van Venetië in te trekken, onder verwijzing naar contractbreuk op het gebied van ethische normen.3
De Biënnale van Venetië vormt dus geen uitzondering op de flagrante schending van mensenrechten en internationaal recht. Het toont alleen maar aan hoe de hypocrisie van de internationale gemeenschap zich uitstrekt tot het grootste en meest prestigieuze evenement op de internationale kunstkalender. Misschien is het tijd om de gouden standaard die de internationale kunstwereld aan de Biënnale van Venetië toekent, in twijfel te trekken. Beweren dat de Biënnale een tandeloze apolitieke tijger is, is duidelijk een misvatting, zoals blijkt uit de boycot van apartheids-Zuid-Afrika. Bovendien is het toestaan van deelname van Israël – en het aanbieden van een paviljoen in het Arsenale terwijl het paviljoen in de Giardini wordt gerenoveerd – duidelijk een gepolitiseerde beslissing.
Het is dan ook aan initiatieven als ANGA (Art Not Genocide Alliance), een internationale groep van kunstenaars, curatoren, schrijvers en cultuurwerkers, en L’internationale, een Europese confederatie van musea, kunstorganisaties en universiteiten, om campagne te voeren voor een boycot van Israël op de Biënnale. In 2024 haalde ANGA 24.076 handtekeningen op om te protesteren tegen de deelname van Israël op de 60e editie van de Biënnale. Midden maart 2026 meldt ANGA dat 182 deelnemende biënnalekunstenaars en -curatoren de oproep hebben ondertekend om Israël uit te sluiten van de 61e Biënnale.4 Hoewel deze petities absoluut essentieel zijn, hebben ze – net als de vele solidariteitsdemonstraties over de hele wereld – weinig veranderd aan de situatie ter plaatse. Maar het is hoog tijd dat er ook op het terrein van de Giardini en het Arsenale dringend iets verandert.
De kunstwereld is dol op woorden als solidariteit en zorgzaamheid, maar is zelden bereid om daar een prijs voor te betalen. Pas de afgelopen jaren is dat veranderd. Het uitspreken van kritiek op genocide en het opkomen voor Palestijnse zelfbeschikking heeft mensen hun baan gekost. Het meest recente slachtoffer is de annulering van het Zuid-Afrikaanse paviljoen met kunstenaar Gabrielle Goliath en curator Ingrid Masonda door de populistische minister van Cultuur van Zuid-Afrika, Gayton McKenzie. Hij greep in omdat hij niet wilde dat het project expliciet verwees naar de genocide in Gaza. Dit is bijzonder pijnlijk gezien het feit dat Zuid-Afrika in december 2023 bij het Internationaal Gerechtshof een aanklacht wegens genocide tegen Israël heeft ingediend.
Plaats maken
Stel je eens voor dat kunstenaars die voor nationale paviljoens zijn geselecteerd, hun plaats zouden afstaan aan Palestijnse kunstenaars uit protest tegen de medeplichtigheid van hun regeringen. Wat zou het betekenen als Palestijnse kunstenaars hun werk onder volledige nationale vertegenwoordiging in de Giardini en het Arsenale zouden kunnen presenteren? Dit gebaar zou in ieder geval een vorm van historische genoegdoening bieden.
Tot nu toe was Larissa Sansour de enige Palestijnse kunstenaar die in een nationaal paviljoen in de Giardini exposeerde, dankzij haar dubbele Deense nationaliteit. Haar tentoonstelling Heirloom (2019) voor het Deense paviljoen, die ik als curator heb samengesteld, stelde vragen bij begrippen als nationale identiteit en de natiestaat in de nasleep van een ecologische ramp. Dit jaar vertegenwoordigt de Palestijns-Saoedische kunstenaar Dana Awartani, wier werk ook te zien was op de internationale tentoonstelling van de vorige Biënnale, Saoedi-Arabië in het Arsenale. In de huidige context kunnen Palestijnse kunstenaars alleen exposeren in nationale paviljoens als ze in het bezit zijn van een dubbele nationaliteit. Dit werkt verwaterend op hun Palestijnse identiteit, omdat ze er uiteindelijk zijn om een ander land te vertegenwoordigen. Zowel Sansour als Awartani putten in hun werk sterk uit hun Palestijnse roots. Niettemin maken hun dubbele identiteiten, zoals Deens-Palestijns en Saoedi-Palestijns, deze kunstenaars ‘veiliger’ en ‘gekeurd’ voor internationale consumptie. Terwijl Sansour altijd nadrukkelijk haar achtergrond heeft benadrukt, en daarbij volledig werd gesteund door de Deense Kunststichting die haar opdracht gaf, wordt Awartani’s Palestijnse afkomst in de Saoedische presentatie van dit jaar afgezwakt. Hoewel dit wordt vermeld in haar biografie op de officiële Saoedische website, wordt haar praktijk zorgvuldig geherformuleerd als ‘het benadrukken van de culturele geschiedenis van het Midden-Oosten’.5
De sanering van het Palestijns-zijn is reëel. De Palestijnse identiteit wordt in een internationale westerse kunstcontext nog steeds als riskant beschouwd. Toen Sansour en ik aan het Deense paviljoen werkten, stelde het extern ingehuurde PR-bedrijf aanvankelijk voor om ‘Palestijns’ uit Sansours biografie te schrappen om mogelijke negatieve reacties te voorkomen. Het anti-Palestijnse sentiment in een dergelijk verzoek was overduidelijk, vooral gezien het feit dat Sansours werk juist de aandacht vestigt op dit soort uitwissingen. Uiteraard weigerden we, waarna we een beledigende lijst kregen met mogelijke vragen van de media waarop we ons moesten voorbereiden, variërend van beschuldigingen dat de kunstenaar aanzet tot terrorisme en sympathiseert met Hamas tot dat het werk antisemitisch zou zijn. Ons werd aangeraden onze antwoorden aan de media zo algemeen mogelijk te houden om de universaliteit van het project te benadrukken, zodat het niet uitsluitend over de Palestijnse situatie zou gaan. Als ik terugdenk aan de ongevoeligheid en het gebrek aan tact van het PR-bedrijf, kookt mijn bloed nog steeds. Deze houding en bezorgdheid ten opzichte van de Palestijnse identiteit zijn echter wijdverbreid. Het lijkt alsof de Palestijnse ervaring alleen aanvaardbaar is voor de meeste westerse instellingen als ze is afgevlakt, gedepolitiseerd en ontdaan van haar scherpe kantjes. Daardoor worden Palestijnen veranderd in wat dichter Mohammed El-Kurd ‘perfecte slachtoffers’ noemt, hoewel zelfs hier hun slachtofferschap nooit te luidruchtig of te opvallend mag zijn.
In een tijd waarin instellingen als het British Museum toegeven aan pro-Israëlische lobbygroepen en zionistische standpunten door het woord ‘Palestina’ uit sommige van hun tentoonstellingen te schrappen, zou de internationale kunstwereld moeten opstaan en een standpunt innemen.6 In 2003 wilde Francesco Bonami, curator van de 50e Biënnale van Venetië Dreams and Conflicts, een Palestijns nationaal paviljoen opnemen, maar kreeg te maken met beschuldigingen van antisemitisme in de Italiaanse pers. In plaats daarvan verspreidden architecten Sandi Hilal en Alessandro Petti tien oversized Palestijnse reisdocumenten (paspoorten, identiteitskaarten, laissez-passers) over de Giardini in hun project Stateless Nation (2003). Ik herinner me nog levendig hoe ik deze eerste Palestijnse deelname aan de Biënnale zag, en hoe treffend het was om zo’n document tussen het Israëlische en het Amerikaanse paviljoen te plaatsen. Ruim twintig jaar later is het hoog tijd om een permanente plek voor een Palestijns paviljoen in Venetië te eisen, die verder gaat dan een ondergeschikte status.
METROPOLIS M KAN NIET ZONDER JE STEUN
Trouwe lezers vormen het fundament van Metropolis M. Wij kunnen niet zonder je steun. Je kunt ons steunen door een jaarabonnement af te sluiten. Het eerste jaar krijg je 40% korting. Een regulier jaarabonnement kost 58 euro. Er zijn ook kortingsabonnementen. Studenten/65plussers/CJP-ers/Personen met een minimuminkomen en PLATFORM BK-leden betalen slechts 36 euro voor hun jaarabonnement. Op DEZE PAGINA lees je meer over de verschillende abonnementssoorten en kun je je direct aanmelden.
BIJ VOORBAAT DANK!
DIT ARTIKEL IS GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 2 – BIËNNALE VAN VENETIË GIDS, MET PORTETTEN EN GESPREKKEN, VISIES EN OPINIES OVER DE HUIDIGE BIËNNALE. GA GOED VOORBEREID OP REIS. ALS JE NU EEN JAARABONNEMENT AFSLUIT STUREN WE HEM GRATIS OP. BESTEL: [email protected]
–
- Op de procedurepagina op de website van de Biënnale van Venetië wordt de toelating voor nationale deelname als volgt omschreven: ‘De landen waarvan de onafhankelijke regeringen door de Italiaanse regering worden erkend.’ Zie: https://www.labiennale.org/en/art/2026/national-participations-procedure.
- Andere bekende voorbeelden zijn schrijver Ghassan Kanafani (1936–1972), dichter Kamal Nasir (1925–1973), cartoonist Naji al-Ali (1938–1987), journalist Shireen Abu Akleh (1971–2022), fotojournalist Yasser Murtaja (1987–2018), radiojournalist Ahmed Abu Hussein (1997–2018), universiteitspresident Sufyan Tayeh (1971–2023) en dichter en academicus Refaat Alareer (1979–2023).
- Jennifer Rankin, “Venice Biennale Risks Losing EU Funding over Planned Russia Involvement,” The Guardian, 12 maart 2026, https://www.theguardian.com/artanddesign/2026/mar/12/venice-biennale-risks-losing-eu-funding-over-planned-russia-involvement.
- Zie: https://anga.live/.
- Zie: https://saudipavilion.org/art/dana-awartani-to-represent-saudi-arabia-at-biennale-arte-2026/.
- “British Museum Removes Word ‘Palestine’,” The Guardian, 16 februari 2026, https://www.theguardian.com/culture/2026/feb/16/british-museum-removes-word-palestine.
Nat Muller





