metropolis m

Fiona Lutjenhuis, Hinge, 2024, (detail), foto Bram Vreugdenhil

Georganiseerde religie is veelal gestoeld op een patriarchale ondergrond. Een consequentie hiervan is dat vrouwen doorgaans minder bewegingsvrijheid hebben om zich te ontplooien binnen een religieuze gemeenschap, terwijl er juist meer regels voor hen gelden: in gedrag, de wijze waarop ze zich mogen kleden en in hun verantwoordelijkheden binnen het gezin. Aan de hand van het werk van Fiona Lutjenhuis en Pauline Curnier Jardin, die elk hun verleden met religie hebben, beschrijft Kelly-ann van Steveninck hoe postreligieuze kunstpraktijken haar helpen bij het verwerken van de gevolgen van haar eigen streng religieuze opvoeding.

In de kamervullende installatie Le Lente Passioni (2023) onderzoekt Pauline Curnier Jardin hoe elementen van sacraal spektakel uit de katholieke kerk zich aanpassen en voortleven door deze te vermengen met profane, alledaagse settings. Op het altaar, vervangen door een televisiescherm, verschijnen fragmenten van paasprocessies die tijdens de lockdown noodgedwongen online plaatsvonden. Ik zag het werk op Art Rotterdam, waar het me opnieuw trof hoe Curnier Jardin massale religieuze aanbidding mengt met iets intiems, dat bijna huiselijk aanvoelt. Haar werk draait vaak om de afbreekbaarheid van historisch-religieuze structuren. De focus van de kritiek ligt met name in de opgedwongen rollen voor de vrouw, zoals die van de heks, heilige en martelares.

Zo staat haar tentoonstelling Fat to Ashes in het Hamburger Bahnhof in 2021, mij nog scherp voor de geest. In de imposante hal plaatste zij een enorme tent, bekleed met wulpse, vlezig ogende gordijnen. Binnenin werd een videowerk vertoond waarin de viering van de heilige Agatha werd afgewisseld met beelden van de slachting van een varken. De massa’s gelovigen die zich laten meevoeren in de stoet maakten diepe indruk. Wat me zo fascineerde, was hoe Curnier Jardin feministische facetten verweeft met religieuze beeldtaal en daarmee het lijden – en de kracht – van de vrouw telkens opnieuw centraal zet. Deze dualiteit komt tot uiting in de figuur van de heilige Agatha, die na haar gruwelijke marteldood waarbij haar borsten werden afgesneden, beschermheilige werd van borstkankerpatiënten en slachtoffers van seksueel geweld. Curnier Jardin toont hiermee hoe geïnternaliseerde religieuze gewoontes het lichaam van de vrouw onevenredig belasten door deze als gevaarlijk, onrein en heidens te bestempelen, in tegenstelling tot het lichaam van Jezus, wiens consumeren verlossing zou bieden.

Pauline Curnier Jardin, La lente Passioni, 2023 Gert Jan van Rooij
Pauline Curnier Jardin, La lente Passioni, 2023 Gert Jan van Rooij

Het al dan niet vrijwillig verlaten van een geloofsgemeenschap impliceert niet alleen spirituele heroriëntatie en daarmee het wegvallen van een leidraad in het leven, maar vaak ook het verlies van sociale structuur en familiebanden. Het is een breuk die diep snijdt

Regels en rituelen

Als tweedejaars kunstgeschiedenisstudent die worstelde met de sporen van een streng-christelijke opvoeding binnen de gemeenschap van Jehovah’s getuigen, herkende ik Curnier Jardins beeldtaal maar al te goed. Mijn jeugd was gevuld met regels en rituelen, die met name op de vrouwelijke leden van de sekte zwaar wogen. De nadruk op het vormen van een hechte gemeenschap was een belangrijke rode draad binnen het geloof, en zorgde ervoor dat de onderlinge verbinding sterk bleef ondanks de rigide voorschriften: de schaapjes moeten bij de kudde blijven. Georganiseerde religie is veelal gestoeld op een patriarchale ondergrond. Een consequentie hiervan is dat vrouwen doorgaans minder bewegingsvrijheid hebben om zich te ontplooien binnen de gemeenschap, terwijl er juist méér regels voor hen gelden: in gedrag, de wijze waarop ze zich mogen kleden en in hun verantwoordelijkheden binnen het gezin.

In het theaterstuk Niet meer zonder jou uit 2015, spreekt Nazmiye Oral op een kwetsbare en onomwonden manier met haar moeder over de sporen die haar streng religieuze opvoeding op haar hebben achtergelaten. Het gaat haar met name om de sociale benauwdheid die een hechte gemeenschap met zich mee kan brengen. Een fragment uit haar verhaal ben ik nooit vergeten. Oral spreekt over haar benen, die niet van haar zijn: ‘Deze benen zijn opgebouwd uit het deeg en regels van de gemeenschap. Niets behoort het ik toe. Die staat in dienst van het geheel.’ Destijds herkende ik me vooral in het gegeven dat ook de meisjes in mijn gemeenschap geacht werden zich zo fatsoenlijk mogelijk te bedekken. Mijn blote benen konden niet alleen persoonlijk schande brengen, maar ook reputatieschade toebrengen aan de hele gemeenschap. Nu, jaren later, interpreteer ik de passage anders: zonder eigen benen kun je niet vluchten.

Het pad van vertrek is voor iedere afvallige anders. Oral wist zich los te maken van de patriarchale mores binnen de Turkse gemeenschap, maar vond op eigen voorwaarden een nieuwe vorm van verbinding met haar familie. Dit is zeker niet voor iedereen een optie. De keten van een religieuze gemeenschap is zo sterk als haar zwakste schakel. Waar mensen verbinding zoeken, is het component van uitsluiting inherent aanwezig. Het ‘wij’ krijgt pas betekenis in contrast met het ‘zij’; het gevoel van verbondenheid wordt versterkt door het buitensluiten van wie daar niet meer bijhoort. Het wij/zij-denken is onvermijdelijk, waardoor het verstoten van personen verstrekkende gevolgen kan hebben voor het individu. Het al dan niet vrijwillig verlaten van een geloofsgemeenschap impliceert niet alleen spirituele heroriëntatie en daarmee het wegvallen van een leidraad in het leven, maar vaak ook het verlies van sociale structuur en familiebanden. Het is een breuk die diep snijdt.

Ook kunstenaar Fiona Lutjenhuis herkent deze ervaring. Haar ouders sloten zich aan bij een sekte waarin christelijke thema’s en zelf geïnterpreteerde theosofie vermengd werden met buitenaardse wezens en de naderende eindtijd. Deze ongebruikelijke opvoeding maakte van Lutjenhuis een angstig kind. Zij weekte zich later van de sekte los, en inmiddels verwerkt ze haar ervaringen met de bovennatuurlijke wereld van haar ouders op eigen wijze in haar tekeningen en schilderijen. Ze werkt met precisie, soms in miniatuurstijl, op monumentale panelen. ‘De omvang van mijn werken zorgt ervoor dat ik er zelf in kan verdwijnen. Ik teken en schilder van me af, het haalt de druk van de ketel in mijn hoofd’, vertelt ze wanneer ik haar spreek. In haar werk zoekt ze houvast om haar jeugd beter te kunnen begrijpen, en om anders naar haar verleden te kunnen kijken. ‘Ik gebruik mijn werk als stil protest, door er eigen verwijzingen in te stoppen waardoor ik zelf de geschiedenis kan herschrijven. De overtuigingen van mijn ouders zijn nu eenmaal deel van mijn identiteit, ze zijn onderdeel van wie ik ben.’

Het herinterpreteren van deze religieuze leer en de bijbehorende iconografie zou vanuit de ogen van de gemeenschap wellicht als blasfemisch worden gezien. Toch benadert Lutjenhuis de impact die religie op haar leven heeft gehad op een belangstellende en toegewijde manier, zonder al te onverbiddelijk te zijn ‘Er zaten ook mooie kanten aan de sekte’, vertelt ze. ‘Bij tijd en wijlen maakten ze het leven leuker. Ze keken door een roze bril naar de wereld.’ Dit wil niet zeggen dat er geen boosheid te bespeuren is in haar: ‘Ik herwin de controle en kan zo mijn herinneringen prettiger maken, voor mezelf en voor de kijker, want ze zijn al zo lelijk.’ Naast symboliek uit haar jeugd voegt Lutjenhuis ook humoristische elementen toe, zoals kleine varkentjes en haar voorliefde voor katten.

Fiona Lutjenhuis, Paradise NR.2, 2024. Foto: Bram Vreugdenhil
Fiona Lutjenhuis, Hinge, 2024, (detail), foto Bram Vreugdenhil

Patriarchale ondertoon

Lutjenhuis voelde binnen de religieuze sekte voortdurend de patriarchale ondertoon. De vrouw was minder waard binnen de gemeenschap, en seksistische teksten werden regelmatig voorgedragen. Vrouwen werden geacht precies drie kinderen te baren en in het geval van de familie Lutjenhuis werden dat drie meisjes. Lutjenhuis werkt nu veel samen met haar zussen, die ook voorkomen in haar werk, om hun opvoeding een plek te geven binnen hun nieuwe bestaan. In Hinge, een rechthoekig, beschilderd kamerscherm bestaande uit twee panelen, toont ze zichzelf en haar zussen zittend aan tafel. Een alledaagse situatie, ware het niet dat de vrouwen omgeven zijn door grimmig uitdijende bonsai-bomen. ‘De inspiratie kwam door een heftige droom die ik had’, vertelt Lutjenhuis. Een van de zussen wordt omsloten door mudra’s, de Indiase symboliek van religieuze handgebaren. Het drietal lijkt zo een eigen geheimzinnige organisatie te hebben opgericht. Ook ik heb na het verlaten van de religieuze sekte twee van mijn drie zusjes inmiddels opnieuw in de armen kunnen sluiten, waarmee wij net zoals de zussen Lutjenhuis een eigen micro-gemeenschap vormen: niemand die ons precies zo begrijpt als wij elkaar.

Deze gemeenschapsvorming is belangrijk: ontworteling brengt instabiliteit en onzekerheid met zich mee. Lutjenhuis was nog minderjarig toen zij op eigen benen kwam te staan en moest van huisgenoten leren hoe voor zichzelf te zorgen. Ze voelt zich thuis in woongroepen en put daarnaast kracht uit de kunstwereld, waar ze zich inmiddels thuis voelt door de steun die ze ervaart. Ook ik besef dat ik zonder mijn gekozen familie van vriendinnen nog steeds het schuchtere meisje van toen zou zijn. De leegte die het patriarchale lotsverbond achterliet, werd ingevuld door een onvoorwaardelijk zusterschap.

In een tijd van religieuze heropleving en de groeiende behoefte aan, nodigen postreligieuze kunstpraktijken uit tot kritische reflectie op de rol van gemeenschap, uitsluiting en emancipatie. Niet vanuit een verlangen om ze te ontmantelen – religie kan immers een troostende leidraad bieden voor de mens – maar om het inclusiever, transparanter en menselijker te maken. Ook Lutjenhuis staat ondanks haar verleden niet vijandig tegenover religie: ‘Ik denk dat de samenleving uiteindelijk beter zal worden wanneer het geloof vrouwen als gelijke gaat zien en zo mensen kan begeleiden in het leven.’ Haar sektarische verleden heeft ondanks alles een zilveren randje. Lutjenhuis heeft door jaren van lijdzaamheid nu een heldere overtuiging ontwikkeld wat betreft haar artistieke praktijk: ‘Ik wil me niet meer conformeren, dat heb ik lang genoeg gedaan.’

Kelly-ann van Steveninck verliet als begin twintiger de geloofsgemeenschap van de Jehovah’s Getuigen

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Metropolis M Nummer 3-2025 Devotie

De associaties van Pauline Curnier Jardin is te zien bij M HKA, t/m. 27.1.2026 Meer info HIER

Werk van Fiona Lutjenhuis is te zien bij de Prix de Rome, Stedelijk Museum Amsterdam, t/m 15.3.2026 Meer info HIER en het Noord Brabants Museum, Den Bosch, t/m 18.1.2026 Meer info HIER

Kelly-ann van Steveninck

is kunsthistoricus met als specialisatie moderne en hedendaagse kunst

Recente artikelen