
Een enthousiaste meneer of mevrouw voor een doek – Kunst op de Nederlandse TV
Er is meer kunst op televisie dan je denkt, maar kritisch en diepgravend wil het niet worden. Alix de Massiac kijkt (online) naar een groot aantal kunstprogramma’s en stelt vast dat een programma zonder enthousiaste presentator in beeld geen lang leven beschoren is.
Ik kijk geen televisie en ik ben zeker niet de enige. Televisie kijken is iets voor mensen die geduldig genoeg zijn om een afstandsbediening te hanteren en een TV-gids te raadplegen. Dat zijn de mensen van mijn leeftijd en jonger, op een paar uitzonderingen na, al lang niet meer. Mensen die wel tv kijken zijn ouder dan ik en opgegroeid met het medium. Met de komst van streaming zijn de opties breder geworden, maar de NPO is voor velen nog altijd een vertrouwde bron van informatie en entertainment.
Toen het Mondriaan Fonds vorig jaar bekend maakte Scrollodex mede te financieren, een programma van de VPRO gepresenteerd door Heske ten Cate, artistiek directeur van Nest, en Yuki Kho, cultuurjournalist, werd mijn nieuwsgierigheid toch geprikkeld. Wat valt er eigenlijk nog meer aan kunst te kijken op televisie? Tot dan toe werd kunst in mijn beleving op televisie vooral gedomineerd door de naam Krabbé. Jeroen en Jasper Krabbé, vader en zoon, beiden prototype enthousiaste meneer staat voor, bij, achter en naast een doek.
In Nederland, maar ook daarbuiten, kennen we wat dat betreft een lange traditie, te beginnen met Pierre Janssen, curator, journalist en museumdirecteur, geboren in de jaren zestig en overleden in 2007. Tussen 1959 en 1972 presenteerde Janssen Kunstgrepen, het eerste kunstprogramma op televisie in Nederland. Er is veel geschreven over het enthousiasme van Janssen, zijn trillende handen en geheel eigen interpretatie en kijkwijze bij het toelichten van kunst. De kunst was belangrijk, maar nog belangrijker was zijn gave om erover te vertellen. Een tot twee miljoen Nederlanders hingen elke zondagavond in de winter aan zijn lippen. Ongetwijfeld omdat er in de beginjaren van Kunstgrepen letterlijk geen Nederlandse concurrentie te zien was op dat tijdstip, maar toch. Het is lastig te beoordelen of Janssens vertelkunsten vandaag de dag nog steeds net zo relevant en sterk zouden worden ervaren. Er is weinig materiaal te vinden, en in de kleine stukjes die wel te zien zijn valt vooral op hoezeer hij een vreemde vogel was, met zijn intense fysieke verschijning en dictie.
Bij het kijken naar meer hedendaagse programma’s, zoals Scrollodex, Nu te zien! of Man kijkt Kunst, valt op hoe belangrijk de rol van de kunstprogrammapresentator is. Dit is natuurlijk een open deur. Het uiterlijk, charisma, stemgebruik en dictie van een presentator is altijd belangrijk, ook bij Miljoenenjacht of Expeditie Robinson. Maar kunst op televisie tot leven wekken is lastiger dan uitgehongerde mensen op een eiland over een houten balk laten schuifelen. De kunstervaring moet worden gemedieerd en de enige hulplijn die je hierbij kunt inschakelen is de presentator. In het geval van kunst is de tendens echter dat dit niet zomaar iemand kan zijn. De presentator komt meestal uit het kunstveld zelf, en is liefst museumdirecteur. Waarschijnlijk omdat iedereen, ongeacht de eigen achtergrond, het culturele cachet van het woord ‘directeur’ kan bevatten en begrijpt dat het iemand met verstand van zaken is.
Zo’n directeur die in de jaren negentig werd gezien als de opvolger van Janssen was Henk van Os, destijds directeur van het Rijksmuseum. In vergelijking met de emotionele intensiteit van Janssen was Van Os vooral een nette man die met overtuiging oordeel en uitleg aan elkaar klonk bij programma’s als Beeldenstorm (1990-2006) en Museumschatten (begin jaren negentig). De zintuiglijke subjectiviteit die Janssen als vanzelfsprekend in zijn lezing van kunst naar voren bracht, maakt plaats voor verhalende autoriteit. Dit ís goed, omdat het zo is. De benadering van Van Os was geen intellectuele benadering, en ook geen benadering die het werk dicht op de huid zat. In plaats daarvan was er sprake van een verschuiving naar de achtergrond van een werk. Naar het verhalende aspect, en ook de kunstgeschiedenis speelde een grote rol waarbij Van Os zocht naar historische en culturele dwarsverbanden.
Nog altijd op de buis is Nu te zien!, een kort programma waarin een wisselend team museumdirecteuren, onder wie Margriet Schavemaker (Amsterdam Museum) en Bart Rutten (Centraal Museum Utrecht), in een kleine tien minuten een zelfgekozen tentoonstelling toelicht. Dit format opereert als een voorproefje, een lokkertje voor iedereen met een museumjaarkaart. In de ongeveer twintig afleveringen die ik heb gezien, heb ik de directeuren geen enkele keer op maar een mespuntje kritiek kunnen betrappen. Dit is kunst kijken in het openbaar zoals we het de laatste jaren het liefste doen: op de selectie van wie en waar na is niets op het scherpst van de snede. Het grote nadeel hiervan is dat de presentatoren op hun uiterlijk en naam na niets blootgeven van zichzelf en hun voorkeuren. De mal waar ze in worden gegoten, slaat hen tegen de vlakte van het beeldscherm. Resteert enkel een aflevering die van werk naar werk en van zinnetje naar zinnetje zoeft.
Een tweede grote favoriete presentator bij de publieke omroep is de kunstenaar met hoofdletter K die de kunst tot leven komt kussen. Daar steekt Jasper Krabbé de kop op met programma’s als Portretten van Krabbé en Het geheim van de Meester. Fascinerend is ArtMen (2012-2014), waarbij Krabbé samen met kunstenaar David Bade gedurende meerdere seizoenen door Europese steden trekt en het lokale kunstklimaat verkent. Beide mannen houden wat krampachtig hun adolescente look vast, met nonchalante t-shirts en opengeritste hoodies, maar ArtMen werkt vanwege de minder schoolse montage dan eerdere vergelijkbare programma’s. Het werkt, omdat het gelaagder is dan man (soms vrouw) voor een doek met een kaartenbak. Het is een reisprogramma, een praatpodcast avant la lettre, waarbij ze zich vaker tot elkaar dan tot de kijker richten, ongedwongen interviews met verschillende kunstenaars afnemen waar er ruimte wordt gemaakt voor grollen, grapjes en vibes. De meer serieuze informatie speelt natuurlijk ook een rol, maar zeker niet de hoofdrol. Het maken van televisie wordt minder dienstbaar gemaakt aan het presenteren van beeldende kunst en dit levert als puntje bij paaltje komt, simpelweg betere televisie op.
Een andere kunstenaar die naar de maatstaven van de publieke omroep een wat meer esoterisch programma presenteert, is Charlotte Caspers die in 2022 te zien was in De kleuren van Caspers. Het programma los en associatief bedoeld, met afleveringen over onder meer rood, blauw, geel en goud. De kleuren van Caspers probeert niet alleen over kleuren en kunst te gaan, maar het ook tot op bepaalde hoogte vorm te geven. Het wil kunstig zijn. Elke aflevering draagt Caspers de kleur waar het over gaat, er worden meerdere pogingen gedaan tot beeldrijm en er is aandacht voor ritme en aanspreken van de zintuigen als Caspers van de zomer geniet in een veld. Het is allemaal belegen en beschaafd en Claudy Jongstra, een van de favorieten op TV, komt uitgebreid aan het woord over haar werkproces, maar echt tot leven wordt er niets gekust. Caspers gaat overal heen maar komt nergens echt aan.
Wie met evenveel enthousiasme als Bade en Krabbé rondbanjeren, is het derde type presentator, en dat zijn presentatoren als Isolde Hallensleben en Lucas de Man. Zij komen niet uit de beeldende kunst maar hebben allebei een achtergrond in theater, respectievelijk als acteur, performer en regisseur. Dat is ook te zien in de manier waarop ze presenteren. Hallensleben presenteerde onder meer Vrw. Zkt. Knst. waarbij ze ‘op zoek naar interessante exposities’ tussen 2009 en 2013 monter door het Nederlandse cultuurlandschap stapte. Wat ze buiten het theater gemeen heeft met De Man (o.a. Man en Kunst en Kunstuur) is dat ze allebei met flair en ironie door de kunst bewegen. Het tempo is hoog, er worden voorspelbare grappen gemaakt, maar het is altijd met een lichte touch. Daardoor beklijft op een prettige manier niets, en is het programma wederom meer een ervaring dan een bak aan informatie die ertoe dient de kijkbuiskindertjes te verheffen.
In de ongeveer twintig afleveringen van Nu te zien! die ik heb gezien, heb ik de directeuren geen enkele keer op maar een mespuntje kritiek kunnen betrappen
En dan als laatste in deze incomplete inventaris van kunst op televisie: Scrollodex (2021)! Vooralsnog lijkt het programma helaas geen lang leven beschoren. Met één seizoen van zes afleveringen doet Scrollodex echter veel goed. Geen naam met de term ‘kunst’ erin, voor de afwisseling niet enkel witte kunstenaars én, geheel in weerwil van de enthousiaste meneer voor het doek tendens in, zijn Kho en Ten Cate nooit te zien en enkel als voice-over of soms interviewer te horen. Zes keer gaan ze langs in een atelier, en zes keer gaat het uiteraard over de praktijk van de kunstenaar. Maar de onderwerpen en invalshoeken die worden aangesneden zijn veel persoonlijker en daardoor ruimer. Het programma ademt meer omdat het zich niet in een mal hoeft te wurmen. Materiaalgebruik wordt versneden met achtergrond, meningen over kunst en cultuur mengen zich in gesprekken over de prijs van verf. Scrollodex had overduidelijk een jonge(re) doelgroep voor ogen, de afleveringen werden ook op YouTube uitgezonden en er werd bewust gestrooid met de experimentele gimmick van een 360-graden foto van de kunstenaar in het atelier. Echt nodig lijkt dit me niet, maar het resultaat van spelen met de verwachtingen rondom televisieprogramma’s over kunst laat zien dat kunst helemaal geen passieve of schone slaapster is die tot leven moet worden gekust. Het is een springlevende vorm die vol verlangen naar vrijheid van het scherm af kan spatten.
Thema's
Alix de Massiac
is redacteur bij Metropolis M en maakt podcasts





