
Hoe houdbaar is de lumbung? – Leren van documenta fifteen
Als het gaat over hosting is documenta fifteen een specifiek geval. De enorme manifestatie van anderhalf jaar geleden bood op initiatief van artistiek leider ruangrupa een heel scala aan hosting-praktijken. ruangrupa stelde deze open manier van de tentoonstelling organiseren voor als prikkelend alternatief voor de westerse blockbuster, waar ook toekomstige edities van documenta wellicht baat bij zouden kunnen hebben. Veel is daar nog niet over doorgepraat. In feite moet de evaluatie van de betekenis van documenta fifteen op de langere termijn nog beginnen. In het kader van dit nummer zetten we een eerste stap door het gesprek aan te gaan met een aantal in Nederland woonachtige direct betrokkenen.
Door Domeniek Ruyters in samenwerking met reinaart vanhoe
Telkens als ik reinaart vanhoe de afgelopen maanden tegenkwam, zei hij dat we het hoognodig nog eens over documenta fifteen moesten hebben. Hij vond de aandacht die er tot nu voor is geweest beperkt en onevenwichtig. Nederlandse deelnemers als The Black Archives zijn nauwelijks aan bod gekomen in besprekingen, stelde vanhoe, die zelf met mariëlle verdijk het ook_visitorZentrum verzorgde tijdens de documenta. Terwijl de vakpers zich er al wat grondiger over begint uit te laten en Kassel zelf nieuwe symposia aankondigt met het oog op de toekomst, benaderde ik reinaart om met mij enkele gesprekken te organiseren over de alternatieve werkvormen die documenta fifteen de kunstwereld heeft geboden. Op zijn initiatief schuiven enkele betrokkenen aan bij dit eerste gesprek: reinaarts ook-partner mariëlle verdijk, leden van het artistieke team Gertrude Flentge en Lara Khaldi, en Yenting Kuan, die tijdens documenta als tolk optrad en bereid was deze discussie te begeleiden en waar nodig in te grijpen om dingen uit te leggen. [personalia onderaan de tekst]
Aan het begin van ons gesprek legt Flentge de hoofdstructuur van documenta fifteen uit, die gebaseerd was op de inmiddels bij de meeste lezers vermoedelijk al enigszins bekende lumbung: de Indonesische term voor een rijstschuur die in conceptuele zin staat voor ‘het opbouwen van relaties op basis van waarden als vrijgevigheid, regeneratie, humor, enzovoort’. Ze legt uit dat een Lumbung gaat over het delen van middelen, collectief bestuur en de viering van opbrengst, de harvest, naar voorbeeld van de oogst en het oogstfeest. Vanaf het begin introduceerde ruangrupa lumbung als een alternatieve structuur om de duurzaamheid van de samenwerkingen tussen alle onafhankelijke collectieven die deelnamen aan documenta fifteen te waarborgen. ‘Vriendschapsvorming is waar het allemaal begint’, aldus Flentge. Binnen de lumbung ontmoetten de deelnemers elkaar in zogenaamde majelis, bijeenkomsten van vijf tot zes kunstenaars en vertegenwoordigers van verschillende collectieven. Aanvankelijk was het plan om 25 collectieven uit te nodigen, maar door de Covid-pandemie en de druk vanuit Kassel om een grotere tentoonstelling te bouwen, besloot ruangrupa uit te breiden naar meer dan zestig collectieven.
Domeniek Ruyters: Wie besliste wie erbij te betrekken?
Gertrude Flentge: Ruangrupa en het artistieke team. Dus de negen mensen van ruangrupa, Lara en ik, en Ayşe Güleç, Frederikke Hansen en Andrea Linnenkohl. We waren met z’n veertienen in het artistieke team, dus we vormden al een soort majelis. En eigenlijk was reinaart er ook al vanaf het begin bij, als langdurige vriend van ruangrupa, die ook eerder al deel uitmaakte van het ruruhuis in Sonsbeek. We besloten er meer personen bij te betrekken, omdat we de rol van het artistieke team als curator wilden decentraliseren, om de majelis niet te veel te cureren en ze, ook uit praktische overwegingen, te kunnen groeperen op basis van tijdzone en taal. En soms waren er kunstenaars die uitdrukkelijk bij elkaar in dezelfde majelis wilden zitten.
Lara Khaldi: Toen we nog uitgingen van het uitnodigen van 25 collectieven was het idee dat ze elkaar vrij uitgebreid zouden ontvangen en elkaar drie jaar lang zouden leren kennen, maar toen kwam Covid en was het niet langer mogelijk om met zo’n grote groep collectieven te werken aan onderlinge uitwisseling en relaties. Daarom begonnen we met de online ‘mini-majelis’. Er zit humor in het woord ‘mini’ tegenover het zeer serieuze woord ‘majelis’. Naast de mini was er de majelis akbar, dat was de grote algemene vergadering, die klinkt weer als gaat het om een islamitische beweging. (lach)
DR: Hoe waren deze bijeenkomsten in praktische zin georganiseerd? Was het een gewone vergadering als op kantoor, met bijpassende taken en rollen?
GF: In het artistieke team werkten we al met de verschillende rollen die een host kan aannemen. Er was altijd een host en een harvester (oogster). Dit harvesten moet je niet alleen zien als notuleren, we nodigden de harvestende kunstenaars ook uit om te tekenen of radio te maken of te schrijven of wat dan ook om verschillende perspectieven vanuit verschillende zintuigen, en niet per se puur rationele, benaderingen weer te geven. Het hostschap was bij toerbeurt. We begonnen altijd met een check-in, wat een oefening of een vraag kon zijn, om niet meteen in het centrale onderwerp te belanden, maar om eerst een relatie op te bouwen. Zo was er een keer een check-in rondom de vraag: ‘wat heb je gisteren gegeten?’ Dat duurde twee uur. Voor sommigen was dat een hele uitdaging. Ik denk dat het ook een statement was dat we wilden maken: het gaat ons over het opbouwen van relaties, niet zozeer over het bespreken van zaken.
LK: In de majelis akbar (de algemene vergadering) vroegen we of kunstenaars host wilden zijn, en wie lid wilde worden van het hostcomité of de werkgroep. Soms deden ze dat zelf, soms deden wij mee.
DR: Wat was het idee achter de kunstenaars de rol van host te geven?
LK: We wilden ze de macht geven om zelf onderwerpen op de agenda te zetten en dingen te bespreken op de manier die zij willen, en ook om eigen gasten te introduceren.
reinaart vanhoe: Ik denk dat het ook een manier was om te voorkomen dat we in een productiemodus terecht zouden komen, waarbij kunstenaars ons gingen vragen hun werk te produceren. Dus om te voorkomen dat er uiteindelijk honderd solotentoonstellingen zouden komen, en vooral te werken aan een gedeelde expressie tijdens deze honderd dagen en daarna.
GF: In de Lumbung wordt er ook veel nadruk gelegd op nongkrong, wat een soort horizontaal rondhangen is, dat op organische wijze kan leiden tot productiviteit, maar dat niet noodzakelijkerwijs hoeft te doen. In andere contexten heb je vergelijkbare praktijken, maar die zijn vaak meer georganiseerd en gecontroleerd. Het was voor ons heel belangrijk om deze verschillende hostingpraktijken te ervaren en te leren kennen, om elkaars praktijken te begrijpen en het idee van lumbung te verdiepen. Het idee was nooit dat het op de documenta alleen over de Lumbung uit Indonesië zou gaan. We hebben bijvoorbeeld ook bewust mensen uit Mali uitgenodigd die werken volgens het concept van Maaya, een soort Malinese versie van Lumbung.
DR: Kun je een voorbeeld geven van de verschillen tussen deze manieren van hosten?
LK: De majelispraktijk van ruangrupa is gebaseerd op consensus, maar niet op een georganiseerde manier van met elkaar spreken. Het is niet representatief, iedereen spreekt voor zichzelf. Daarom duurt het ook zo lang. Het gaat om tijd samen doorbrengen, met elkaar optrekken en vertrouwen opbouwen, om vervolgens opnieuw met elkaar te kunnen spreken en een consensus te bereiken.
GF: We deden dit niet alleen om elkaar te leren kennen en kennis op te bouwen die nodig is voor documenta, maar we wilden – en willen nog steeds – een duurzame collectieve economie opbouwen. Het gaat er dus ook om manieren te vinden om dat te doen, gebaseerd op al deze tradities en ervaringen.
LK: Ruangrupa’s manier van handelen werkt heel goed als je er tijd voor hebt, omdat het gaat om het opbouwen van vriendschap, van langdurige relaties. Je hebt geen structuur nodig. Andere collectieven brachten andere structuren mee. Zoals Le 18 uit Marokko die de zogeheten agraw introduceerde, de algemene vergadering van Amazigh-stammen, waarin bij wijze van autonoom en democratisch bestuur elk lid een bepaalde spreektijd krijgt. Dat werkt veel beter voor mensen die elkaar helemaal niet kennen. Het geeft wat meer structuur zodat iedereen gehoord kan worden en ook heel introverte mensen of mensen die moeite hebben met Engels krijgen dan spreektijd.
Yenting Kuan: Er werd in de majelis van het begin af aan veel gekookt, ook tijdens online sessies, waarbij recepten van over de hele wereld met elkaar werden gedeeld. Die zijn trouwens nog verzameld en uitgegeven in een receptenboekje, dat werkte heel goed.
rvh: Ik zou zeggen dat er in de Nederlandse, Duitse en West-Europese context nog wordt gewerkt met een universeel idee van wat kunst maken inhoudt. Naar dit idee ontvangt en bedient de host en maak jij als kunstenaar je kunst. Andere manieren van organiseren of hostschap zijn onvoldoende uitgewerkt. De bestuursstructuur van documenta GmbH (de moederorganisatie van documenta in Kassel) begreep niet hoe ze dit kon faciliteren. Ze bleef maar zeggen: maak je geen zorgen, wij zorgen voor alles, zorg jij er maar voor dat de kunstenaars hun productie kunnen doen, dan regelen wij alles eromheen.
GF: Wij waren in de veronderstelling dat documenta zichzelf wilde heroverwegen toen ze ruangrupa uitnodigde artistiek leider te worden. We hebben documenta uitgenodigd om deel uit te maken van de lumbung, en dus zichzelf anders op te stellen. Maar er was nauwelijks bereidheid tot verandering, misschien vanwege de enorme politieke druk achter deze editie van documenta.
DR: Er waren ook veel veranderingen voor het publiek. Hoe verander je de rol van de bezoeker? Was die wel ontvankelijk?
LK: Er was in het aanbod een heel ABC van gastvrijheid. Er werd bijvoorbeeld veel eten gekookt op verschillende locaties. Het eerste wat je opviel als je het Fridericianum binnenkwam, was de geur van het eten dat uit de keuken van Gudskul kwam en het geluid van de kinderen die in ruruKids speelden. Er was ook veel muziek. Het had een gevoel van thuiskomen, een huiselijkheid die je verwelkomt op een heel basaal niveau. We dachten na over het reproduceren van het gevoel van saamhorigheid dat we in drie jaar hadden ervaren, maar op een andere tijdschaal. Tijdens de muzikale concerten en tijdens de kooksessies kon je voelen dat je deel uitmaakte van een groter collectief, zonder terug te hoeven vallen op intellectualiteit.
mariëlle verdijk: Ik denk dat het voor ons bij ook_visitor zentrum de oefening was om inderdaad de host te zijn en deze gesprekken te voeren met het hele scala aan bezoekers. Het was superintensief en niet altijd gemakkelijk om mensen te laten begrijpen dat het hier niet ging om het bekijken van een kunstwerk of video of wat dan ook. Mensen moesten het ontdekken door rond te hangen. Sommige mensen hebben die sprong echt gemaakt, anderen niet. Als je denkt aan de rol van de bezoeker, dan ga je ook verder dan die consumentistische houding dat alles duidelijk is als je er eenmaal bent, alsof de bezoeker niets hoeft te doen. In dit geval moest je soms langer in een ruimte blijven hangen om los te breken uit die rol.
DR: Een consequentie van de lumbung is de gedeelde verantwoordelijkheid. Bij de mediarel rond Taring Padi werd ruangrupa verweten geen verantwoordelijkheid te hebben genomen door tijdig in te grijpen. Hoe werd deze situatie besproken in de lumbung?
LK: De vraag over curatoriële verantwoordelijkheid werd bij ons neergelegd door de Duitse pers; het was meer een vraag over curatoriële censuur. Ik denk dat zij de rol van de curator zagen als een rol van controleur, en zelfs als censor. Zoals wij het binnen lumbung zagen, ging het helemaal niet om de vraag wiens verantwoordelijkheid het was. Niemand stelde die vraag. De vraag waar wij ons mee bezighielden was: hoe kunnen we dit samen doen en reageren op deze aanvallen, hoe kunnen we solidair zijn en elkaar steunen? Dus in die zin voelde het eigenlijk haast als het tegenovergestelde wat iedereen voelde, want iedereen voelde dat ze samen de lumbung hadden gemaakt, iedereen voelde dat dit een collectieve verantwoordelijkheid was.
GF: Dit was misschien wel een van de meest stressvolle dingen, dat de media zo hamerde op de verantwoordelijkheid van ruangrupa, en hen probeerden te isoleren van de lumbung. Terwijl we al drie jaar bezig waren met dit hele proces van decentralisatie van macht en collectieve overeenstemming.
LK: Kunst gaat niet over produceren. Kunst is het geheel. Dat is iets wat we beter kunnen leren begrijpen. Deze kwestie van kritiek speelt de hele tijd hier in Europa, er is altijd kritiek en meer kritiek, en kritiek op de kritiek. Soms begrijp je niet meer waar het allemaal toe dient. In de lumbung van Kassel transformeerde de gedeelde verantwoordelijkheid tot een gedeeld gevoel van agency, in een productieve en bevestigende kritiek. Dus als de kunstenaars ergens tegenaan liepen, bijvoorbeeld dat er geen visum was, zeiden ze niet ‘ah, er is geen visum, dat is een probleem’. In plaats daarvan traden ze op als een soort alternatieve, solidaire organisatie. Ze schreven bijvoorbeeld brieven aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassades om hulp te vragen bij het verkrijgen van een visum. Dus het systeem werkte.
DR: Is er toekomst voor de lumbung? Is het makkelijk om met de lumbung te blijven werken, ook na Kassel?
rvh: Het is moeilijk, natuurlijk, en het heeft ons uitgeput. We zijn af en toe teruggegaan naar Kassel omdat het daar nog steeds doorgaat. We praten er met mensen die nog volop bezig zijn het te verwerken. Intussen zijn delen van de lumbung uit Kassel verhuist naar andere plekken op de wereld: Lumbung land, Lumbung kios, Lumbung.space, Lumbung radio, Lumbung press, er zijn de lecture series van De Appel en Mohammed Yaqubi heeft een serie lezingen gegeven bij KASK in Gent. ruangrupa zelf is op dit moment bezig met een grootschalig documenta fifteen-achtig evenement in Indonesië tijdens de nationale culturele week. Dus de wens om door te gaan wordt zeker verwezenlijkt.
GF: Lumbung gaat ook over het samenbrengen van hulpbronnen. Ik denk dat de relaties die we opbouwen zo sterk zijn dat we allemaal het gevoel hebben dat we alle gedeelde middelen kunnen aanboren. Welk project we ook ontwikkelen, het is voor ons gezamenlijk heel makkelijk voor te stellen, met al die mensen om ons heen en al die middelen bij elkaar. Natuurlijk heb je nog steeds geld nodig, enzovoort, maar ik vind dit al geweldig. Tegelijkertijd ben ik persoonlijk supermoe en het gaat altijd langzamer dan je zou willen.
LK: Voor mij bij de Appel is het niet makkelijk om in de lumbung spirit verder te gaan, omdat het heel anders is als je het als individu in een instituut introduceert. De instelling werkt op een bepaalde manier. En dat niet alleen, er is een hele infrastructuur. Zelfs als je wilt veranderen hoe de instelling werkt, heb je daarna nog vele, vele verschillende lagen. Het kost dus veel tijd en het heeft ook te maken met mentaliteit, maar er gebeurt van alles. Afgelopen weken waren hier allerlei instituten van Arts Collaboratory om te praten over de toekomst. Van Nieuwe Instituut hoorden we net dat er een lumbung.space komt en een speciaal fellowship. De verandering is daar.
Gertrude Flentge is cultureel werker, commoner en programma-manager
Lara Khaldi, curator, schrijver, directeur De Appel, Amsterdam
Yenting Kuan is researcher, schrijver en vertaler
reinart vanhoe is kunstenaar, docent en initiator van ook_huis te Rotterdam
mariëlle verdijk heeft een paterned practice en is initiator van ook_huis te Rotterdam
Lara, Gertrude en Gudskul starten in september een educatief programma getiteld ‘Lumbung Practice’, een samenwerking tussen Sandberg Instituut (tijdelijke master), De Appel en Gudskul, waarbij veel lumbungmembers, waaronder ook_space, betrokken zullen zijn.
Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M



