metropolis m

Museum in motion
Follow-up

Een van de organisatoren (Domeniek Ruyters), een deelnemer (Willem de Rooij) en een criticus uit het publiek (Jorinde Seijdel) spreken zich uit over de conferentie Museum in Motion, die Metropolis M samen met de Mondriaan Stichting en het Stedelijk Museum Amsterdam op 27 mei in de Balie Amsterdam organiseerde. Onder de sprekers: Scott Lash, Thierry de Duve, Boris Groys, Charles Esche, Kathy Halbreich, Sune Nordgren, Hans Ullrich Obrist en Nicolaus Schafhausen.

Uitgelicht

De uitdagingen waartoe musea zich gesteld zien hebben juist te maken met het feit dat het allang niet meer de kunst is die dicteert wat een museum is.

Nederland is cultureel zoals we allemaal weten grondig ziek, en de eerste hulp moet uit het buitenland komen.

Misschien moeten musea helemaal niet groter en grootser willen worden, maar juist kleiner; kleiner, donkerder en nederiger.

De omkering als stijlmiddel of als gedachtenexperiment is misschien bruikbaar, om bij de basis terug te komen en het museum uit haar loop te bevrijden.

Organisator: Domeniek Ruyters

De ambitie was groot. Het museumdebat zoals dat momenteel opspeelt in verband met de vacatures bij de grote drie onder de musea voor hedendaagse kunst (Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam) gaat te veel over de ‘poppetjes’, over geld en gebouwen en te weinig over inhoud. De vraagstukken van artistieke, sociaal-maatschappelijke, technologische aard waarmee musea zich in toenemende mate geconfronteerd zien, worden te vaak niet gesteld. Museum in Motion zou daar verandering in brengen. Museum in Motion zou de kwesties aanroeren die hoognodig aan bod moesten komen. Museum in Motion zou een verschil maken.

Het symposium was ingericht als een drietrapsraket, van breed naar smal. ‘s Ochtends het sociaal-maatschappelijke perspectief op het museum en de kunsthistorische reflectie daarop, in de middag een aantal aansprekende cases uit het buitenland en ‘s avonds het Nederlandse antwoord op alle ideeën en modellen. Zoals vaker bij dit soort gelegenheden liep het anders dan bedoeld. Het brede, theoretische perspectief bleek vooral historisch van aard en niet erg op de toekomst gericht, de sprekers in de middag vergaten uitgebreid stil te staan bij wat doorgaat als het meest wezenlijke onderdeel van een museum, namelijk de collectie, en de avondsessie mondde bijna uit in een publieksopstand jegens de wat al te flashy discussiestijl van de moderatoren.

Museum in Motion was bedoeld als een op de praktijk geënt debat, niet te ver af van de dagelijkse museale realiteit. En dat was te merken. Een meer fundamentele discussie omtrent het functioneren van het museum ontbrak. Alleen Scott Lash deed een poging met zijn idee van het Lebensmuseum. Helaas voor hem faalde die poging in halfhartigheid. Zijn referaat was te gefragmenteerd en met te veel filosofische verwijzingen. Toch werd zijn Lebensmuseum een gevleugeld begrip die dag, waarnaar nog menig spreker zou verwijzen. Achteraf kun je vaststellen dat het museum, zoals we dat kennen, voor iedere spreker min of meer een fait accompli is. Alleen van binnenuit, door de kunst zelf, is er misschien nog wat aan te doen. De discussies gingen dan ook over smaak, over goede en slechte kunst, over collectie- en presentatiestructuur, maar ten aanzien van meer principiële kwesties geloofde men het wel zo’n beetje. Zolang de kunst in het museum een vrijplaats vindt, komt het allemaal wel goed, leek de overtuiging. Ik ben erg voor vrijplaatsen, juist voor de kunst, maar het museum is een instituut met een aanmerkelijk complexere opgave dan dat. De uitdagingen waartoe musea zich gesteld zien hebben juist te maken met het feit dat het allang niet meer de kunst is die dicteert wat een museum is. Dat doet, zoals bij elk instituut, de maatschappij. En de maatschappij verandert in razende vaart. Het museum kan daar de neus niet voor ophalen.

Blijft de vraag in hoeverre de maatschappij het museum tot veranderingen mag aanzetten, eventueel ten koste van de kunst. Lijkt me een goed onderwerp voor een volgend symposium. Liefst met wat politici erbij.

Deelnemer: Willem de Rooij

Het debat Museum in motion bood als geheel een onevenwichtige indruk. ‘s Ochtends gaven Scott Lash, Thierry de Duve en Boris Groys elk vanuit een persoonlijk, theoretisch kader bevlogen, geestige en tot de verbeelding sprekende bespiegelingen over de functies en mogelijkheden van het museum voor hedendaagse kunst in de 21ste eeuw. Het middagprogramma gaf ruimte aan drie meer praktijkgerelateerde visies die soms zeer geëngageerd waren (Kathy Halbreich), maar soms een routineuze indruk maakten en de promotie voor het eigen instituut niet te boven kwamen (Charles Esche, Sune Nordgren). Interessanter waren de bijdragen van Hans Ulrich Obrist en Nicolaus Schafhausen, die probeerden hun eigen praktijk te situeren in een breder cultureel-politiek veld en daarmee het middag en het -ochtend programma weer bij elkaar brachten. Een afsluitende gespreksronde leverde weinig op, vooral omdat in het gehele programma een helder geformuleerde probleemstelling ontbrak. Toch bood het dagprogramma een grote variatie aan geïnspireerde en interessante visies die openingen boden tot reflectie op het museum en haar taken in een internationale, 21ste-eeuwse context.

Dat deze reflecties nauwelijks weerklank vonden in het avondprogramma had verschillende redenen. Het avondprogramma bestond uit twee discussierondes met uitsluitend Nederlandstalige gasten, onder wie ikzelf. De discussie werd in tegenstelling tot die tijdens het Engelstalige dagprogramma, in het Nederlands gevoerd. Gevolg was dat alle buitenlandse gasten, voorzover ze nog niet naar huis waren, zich buitengesloten konden voelen omdat de avond een zuiver Nederlandstalige aangelegenheid werd. Er was gekozen voor een zware, theatrale vorm: een halve cirkel katheders deed denken aan de televisiedebatten voor de Tweede Kamerverkiezingen in 2002. De moderatoren, Yoeri Albrecht en Lennart Booij, bleken beiden geen enkel inzicht in de materie te hebben. Bovendien stuurden ze de discussie in een dwingend format, een format dat op tv vaak uitstekend werkt maar dat in deze omgeving volkomen voorbij ging aan de inhoud en urgentie van dit specifieke debat. Praten over kunst, kunstbeleid en cultuurpolitiek kan niet in soundbites, of zoals Koen Brams de gespreksleiders toebeet, na voor de zoveelste keer in de rede te zijn gevallen: ‘Als het gesprek op dit niveau gevoerd moet worden kunnen we net zo goed op een bepaalde partij gaan stemmen’. Booij en Albrechts hadden het zelf echter ook niet makkelijk, omdat nog steeds de publiekstelling ontbrak. Hierdoor zagen ze zich gedwongen steeds losse flodders op de kandidaten en het publiek af te vuren, met tot gevolg nog meer chaos. De debatterende gasten kregen ook door de opzet van de avond (alleen discussie) niet de kans zich even indrukwekkend te presenteren als sommige daggasten. Maar sommigen hadden dat ook niet waar kunnen maken en daar lag een andere onevenwichtigheid in de programmering: Rutger Wolfson is natuurlijk niet de Nederlandse evenknie van Thierry de Duve, zelfs die van Sune Nordgren.

De scheiding van Museum in Motion in een Nederlandstalig en een Engelstalig onderdeel berustte op een even ernstige als veelbetekenende denkfout. Eenzelfde soort denkfout inspireerde Metropolis M er een aantal jaren geleden toe om met steun van de Mondriaan Stichting eenmalig een Engelstalig nummer te produceren, dat vol trots werd gepresenteerd tijdens de opening van de Biënnale van Venetië. Het bleef echter bij dat ene nummer. Het resultaat was een uiting van schaamteloze zelfpromotie zonder mogelijkheid tot reflectie of communicatie. Een actie die een slechte indruk maakte, als ze al een indruk maakte.

Een dag lang passief kennis nemen van expertise uit het buitenland (zonder te vragen om direct commentaar op de lokale situatie), en er daarna in kleine kring over na te willen praten – wat uiteindelijk niet gebeurde omdat de thema’s die belicht werden de breedte en diepgang van de ochtend en de middag misten en eerder de typisch Nederlandse zelfingenomenheid illustreerden die dit soort debatten in de Nederlandse kunstwereld meestal kenmerkt – getuigt van grote arrogantie (alsof we niemand van buitenaf nodig hebben om te helpen zoeken naar een oplossing voor onze culturele impasse) en bekrompenheid (alsof we in Amsterdam een lokaal, en niet een internationaal probleem hebben). Er is mijns inziens voor het ‘Nederlandse klimaat’, wat dat ook moge zijn, maar één uitweg uit de provinciale impasse, en dat is zonder reserves de dialoog met het buitenland aangaan. Slechts in confrontatie met het internationale circuit zal het mogelijk worden onze zwaktes maar ook sterke punten te analyseren. Een discussie over tentoonstellen wordt pas interessant als Sjarel Ex aan Charles Esche moet uitleggen waarom hij het een goed idee vindt om een modetentoonstelling in te richten zoals hij dat doet. Nederland is cultureel, zoals we allemaal weten, grondig ziek, en de eerste hulp moet uit het buitenland komen. Het zou ons sieren als we hierin zelf het voortouw zouden nemen, in plaats van onze koppen in het zand te steken, of goedbedoeld te veel aandacht aan lokale problematiek te schenken. Het komt uiteindelijk steeds op hetzelfde neer: zelfgenoegzame berusting. Maar Europa spreekt geen Nederlands, en de rest van de wereld ook niet.

Criticus: Jorinde Seijdel

Er kan op verschillende niveaus over het museum worden gereflecteerd. Het debat dat nu in Nederland een flauwe opleving doormaakt, lijkt vooral gericht op het museum als culturele amuse, exploitabel toeristisch object of architectonisch fenomeen. Al te pragmatisch, of juist al te emotioneel, bediscussiëren museumprofessionals, cultuurambtenaren en media het hedendaagse museum, daarbij niet in de laatste plaats bezield door aanstaande wisselingen in de macht, grote renovaties en kleine schandalen. Wie komt waar? Wordt het mooi? Waar(!) is het geld?

Dit platte, om posities en hiërarchiën draaiende vertoog draagt nauwelijks betekenis uit, laat staan mogelijkheden, als het gaat om de vraag wat de implicaties en condities van het contemporaine museum zijn. Daarvoor zou immers erkend moeten worden dat het museum, zoals Chris Dercon het uitdrukte, ‘slechts een van de vele omgevingen is, van een veel groter museografisch project, dat zich ook op andere plaatsen manifesteert’ – en wel van een project met een mediaal bepaalde dynamiek.

Pogingen om de uiteenzetting met het museum te verdiepen door bijvoorbeeld bredere ontwikkelingen op het gebied van globalisering en de visuele cultuur erin te betrekken, zijn gedoemd stuk te lopen zolang men ‘het museum’ hierin ofwel op dialectische wijze positioneert, ofwel een allesomvattende representativiteit opdraagt. In beide gevallen wordt de cruciale vraag omzeild die ten grondslag zou moeten liggen aan de evaluatie van het hedendaagse museum, namelijk de vraag naar de legitimiteit, zowel in filosofische als in tactische zin, van de cultuur waarvoor het museum paradigmatisch is.

Zolang die vraag systematisch uit de weg wordt gegaan, blijft het museum een self-fulfilling prophecy, met ‘spelers’ die onderworpen zijn aan een script waarvan ze zich nauwelijks het bestaan realiseren, of dat ze cynisch onderschrijven. De verschillende museummodellen, van gesloten tot open en flexibel, zijn in dit licht dan louter formele varianten van elkaar, die inhoudelijk even tautologisch zijn. Het museum moet geen update ondergaan of zich richten op een meer gebruiksvriendelijke of verleidelijke interface; er moet een analyse gemaakt worden van het onderliggende, inwendige besturingssysteem, en de werkelijke ‘operators’ en beheerders moeten gelokaliseerd worden. Voorlopig echter, is de kloof tussen theorie en praktijk enorm: het intellectuele vertoog over het museum, van Marcel Duchamp tot Henri-Pierre Jeudy en Boris Groys, schampt slechts licht langs de praktijk: de museumwereld absorbeert weliswaar alle theorie, maar dit resulteert met name in het bijzetten ervan in de museale schappen, of in het binnen de museale context naspelen van de meest attractieve tekstfragmenten door hoogbegaafde curatoren. De bestendige totaalvisie en het evenzeer theoretische als praktische engagement die vereist zijn om een werkelijke paradigmaverandering te bewerkstelligen, blijven aldus ver te zoeken. Dit engagement behelst overigens niet iets negentiende-eeuws als een omverwerping of een negatie, maar een verbintenis: een verbintenis die het resultaat is van een theoretisch bewustzijn aangaande de imperfecte of feilbare premissen van de cultuur, en die leidt tot een praktische keuze voor rectificatie. Kortom, een niet per se politiek correcte verbintenis met een externe werkelijkheid.

Waar het in het actuele museumdebat op neer komt, is dat men hoogstens wil weten hoe men de concurrentiepositie kan verstevigen, het zaakje kan moderniseren, rendabeler kan maken. Het museografische project staat niet ter discussie; integendeel, het gaat er vooral om hoe men zich daarin kan handhaven, zichtbaarheid kan verwerven en produceren. Het ironische is dat het museum zo uiteindelijk getransformeerd wordt tot een helverlicht verdwijn- of verduisterpunt van cultuur; een plek waar je alles zien kunt dat geen rol van wezenlijk belang meer speelt in de dynamiek van het heden, waar alles wat je ziet verdwenen is.

De prozaïsche Bill Gates, die niets geeft om de mythes van kunst en cultuur, heeft tenminste de mediale condities van het hedendaagse beter begrepen: met zijn bedrijf Corbis, dat de elektronische reproductierechten van meer dan 65 miljoen fotobeelden opkocht, waarvan een deel ligt opgeslagen in een ontoegankelijke kalkmijn, schiep hij iets, iets duizelingwekkends, waaraan geen museum tippen kan. Echter, tegelijkertijd manifesteren musea, tegen wil en dank, Corbis-achtige trekjes, in hun latente verduisterpraktijken. Misschien moeten musea helemaal niet groter en grootser willen worden, maar juist kleiner; kleiner, donkerder en nederiger. Niet ‘terug naar de top’, maar terug naar de basis, want daar ergens bevindt zich wellicht nog een kiem voor mogelijke verandering, voor engagement. De culturele elite van Nederland weet wat haar te doen staat. Terug naar de basis, en dit is slechts deels regressief bedoeld.

Martin Amis’ roman Times’ Arrow speelt zich omgekeerd in de tijd af en verhaalt over het leven van een Duitse oorlogsmisdadiger in wiens perceptie concentratiekampen productieplaatsen van mensen worden. IJzingwekkend. Maar de omkering als stijlmiddel of als gedachte-experiment is hier misschien bruikbaar, om bij de basis terug te komen en het museum uit haar loop te bevrijden.

Domeniek Ruyters

is hoofdredacteur van Metropolis M

Recente artikelen