
Over plassen, vochtigheid en het luisteren naar materiaal – In gesprek met Simnikiwe Buhlungu
Door plassen te benaderen als verzamelplaatsen en als werkwoord, ontdekt kunstenaar Simnikiwe Buhlungu dat ze wel degelijk agency hebben: plassen gaan wanneer ze willen en komen als het moet. In haar tweejarige onderzoeksproject, in opdracht van Chisenhale Gallery in Londen en Kunstinstituut Melly in Rotterdam, verdiept ze zich in het eigen leven van plassen en hun plaats in de wereld.
Hoe ben je gefascineerd geraakt door plassen?
‘Ik was nieuwsgierig naar plassen. Ik vroeg me af: wat gebeurt er in plassen? Wat zien ze? Zijn het getuigen of zijn ze bewijs van iets? Of zijn ze misschien een vorm van pauze? Plassen maken deel uit van de hydrologische cyclus; ze verschijnen en verdwijnen. Op de basisschool leren we over die kringloop: het regent, er vormen zich plassen, de zon verdampt het water, er ontstaan wolken en het regent opnieuw. Dat eenvoudige mechanisme fascineert me. Het is rudimentair, maar ook alomtegenwoordig.’
Wat bedoel je met die alomtegenwoordigheid?
‘Neem de emmers in mijn tentoonstelling. Het zijn Super PVA-verfemmers, de pastelkleuren van die verf zijn typisch voor huizen in bepaalde delen van Zuid-Afrika. Ik koos deze emmers vanwege hun sociaal-economische context. De verf is goedkoop, waardoor de emmers overal opduiken: om eten of water in te bewaren. Net als plassen zijn ze wijdverspreid, eenvoudig en veelzeggend. In de tentoonstelling bevatten ze watermonsters van verschillende plekken: een plas uit de tuin van mijn moeder in Johannesburg, een vijver bij haar huis, modderplassen in het natuurreservaat Salse di Nirano in Modena, de Tswaing-meteorietenkrater in Soshanguve, en plekken rond Chisenhale Gallery en Kunstinstituut Melly. Om het water ‘in leven’ te houden, zodat ik micro-organismen kon blijven observeren, vroeg ik advies aan microbioloog dr. Norbert de Ruijter. Hij legde me uit hoe ik de emmers van zuurstof en indirect zonlicht kon voorzien, en nodigde me uit om het water in zijn lab aan de WUR in Wageningen te bestuderen.’
Hoe veranderde je onderzoek toen je je richtte op plassen in gebouwen?
‘Ik wilde meer dan simpelweg een plas binnen tentoonstellen. Ik zocht naar een vorm die niet alleen zichtbaar maakt wat een plas is, maar voelbaar maakt hoe ze verschijnen en verdwijnen. Dat bracht me bij luchtvochtigheid en hoe die zich gedraagt in een gebouw. Architectuur is immers ontworpen om vocht buiten te houden, om schimmel of instabiliteit te voorkomen. Maar er is altijd wel ergens een lek.’
Welke lekken ontdekte je in Chisenhale Gallery en hoe beïnvloedden die de eerste uitvoering van je installatie?
‘Het gebouw heeft iets weg van een industriële fabriek. Een muur grenst direct aan het Hertford Union Canal, dus het is er voortdurend vochtig. De curatoren Olivia Aherne en Amy Jones vertelden me dat werken op papier vrijwel meteen beginnen te krullen zodra ze aan de muur hangen. Daardoor besloot ik vocht als een actieve aanwezigheid in de ruimte te onderzoeken en te meten. Ik nam een hygrometer mee om de luchtvochtigheid in percentages vast te leggen en schreef zelfs een wiskundige “vergelijking.” Deze methodologie liet me zien dat vocht altijd aanwezig is, en dat het juist gaat om de fluctuaties en de onmeetbare tussenruimtes.’
Je hebt ventilatiegaten gemaakt van klei uit het natuurreservaat Salse di Nirano in Italië, gemengd met kalkhoudende klei uit Cambridgeshire en klei die je hebt verzameld langs de Maas, de rivier die Europa verbindt met zijn grootste haven en die door Rotterdam stroomt. Welke rol spelen de ventilatiegaten in de tentoonstelling bij Melly?
‘In beide tentoonstellingen werk ik met ruimtes die niet toegankelijk zijn voor het publiek, maar wel voelbaar zijn door hun vochtigheid. In Melly werk ik met de kelder – vochtig en verborgen – en het dak, dat lekt maar moeilijk bereikbaar is. De ventilatieopeningen maken een indirecte uitwisseling mogelijk: ze worden niet mechanisch gestuurd, dus de mate van hun doorlaatbaarheid van vocht is onvoorspelbaar en daarom mogelijk ook kwetsbaar. Ze laten de ruimte letterlijk ademen.’
‘Ik wil begrijpen hoe je vochtigheid kunt voelen, zowel als het er is als wanneer het verdwenen is'
Beide versies heten hygrosummons, hoe zie je de verschillende elementen in de tentoonstelling en hoe heb je de onderliggende wetenschappelijke processen van het meten van vochtigheid benaderd?
‘De verschillende onderdelen vormen samen een meetinstrument voor luchtvochtigheid en de kleine verschuivingen daarin. Ik ben daarvoor in contact getreden met de Leidse Instrumentmakers School. Zij begrepen niet helemaal waarom ik zelf een hygrometer wilde maken, terwijl ze gewoon in de winkel verkrijgbaar zijn. Maar dat is natuurlijk niet waar het om gaat.’
Waar gaat het je dan wel om?
‘Ik wil begrijpen hoe je vochtigheid kunt voelen, zowel als het er is als wanneer het verdwenen is. Het gaat me niet alleen om de meetbaarheid, maar ook om voelbaarheid. De hygrometer dient als een tussenruimte, een gevoelig systeem binnen de waterkringloop. Als je geen empathische wetenschappers treft, reageren ze nogal neerbuigend op dit project. De meesten aan wie ik in eerste instantie hulp vroeg, reageerden zo op mijn eerste mails.’
‘Als je onderzoek doet naar een wetenschappelijk apparaat of hulpmiddel, is het belangrijk om verder te kijken dan de westerse wetenschap'
Hoe ben je uiteindelijk achter de verschillende mechanismen voor het meten van vochtigheid gekomen?
‘Als je onderzoek doet naar een wetenschappelijk apparaat of hulpmiddel, is het belangrijk om verder te kijken dan de westerse wetenschap. Veel literatuur zien ze als een westerse uitvinding, maar de eerste hygrometers zijn al lang daarvoor elders op de wereld gemaakt. Ik keek naar de Han-dynastie, naar praktijken in Mali en Iran. Men gebruikte materialen als steenkool, klei, touw, bijenwas. Ze legden bijvoorbeeld vochtabsorberende en niet-vochtabsorberende materialen bij elkaar en berekenden hun gewichtsverschillen na een bepaalde tijd. Dat opende mijn ogen; we zijn omringd door hygroscopisch materiaal. Een vriend en chemicus, Saïd Rosales, liet me zien hoe absorberend de materialen in mijn tentoonstelling zijn: hout, papier, bamboe. Zelfs ons lichaam absorbeert vocht. Zo werd het een collectieve inspanning, die niet alleen wetenschappelijk, maar ook materieel-poëtisch van karakter is. Het meten van de vochtigheid gaat dus ook minder over percentages of nauwkeurigheid, en meer over hoeveel het papier krult of het hout uitzet en krom trekt.’
Je gebruikt ook zithers die een vochtigheidscompositie spelen. Hoe werkt dat?
‘Geluid is cruciaal in mijn artistieke praktijk, waarin niet alles meteen visueel hoeft te zijn. Ik vroeg me af: hoe klinkt vocht? Kun je veranderingen in toon koppelen aan luchtvochtigheid? Als ik met geluid werk, (her)lees ik vaak Francis Bebeys boek African Music: A People’s Art (1975) en luister naar Afrikaanse muziek. Deze keer luisterde ik naar Sona Jobarteh, die een Gambiaanse kora – een West-Afrikaans snaarinstrument – bespeelt. De kora van Jobarteh, gemaakt van natuurlijke materialen, veranderde van toon toen ze ermee ging touren in Europa. Geïnspireerd door die klanken ben ik me verder gaan verdiepen in instrumenten als de mvet, een oeroude zither. Hun tonaliteit verandert letterlijk door vocht. Dat inspireerde me om zithers te bouwen die vochtigheid verklanken.’
Hoe heb je de zithers gemaakt?
‘Ik heb hun lichaam gemaakt van bamboe, de resonator van kalebas, en de snaren heb ik met de hand gevlochten van raffiavezel. Ze zijn van verschillende diktes, net als gitaarsnaren, van diepe bassen tot heldere tonen. Toon is heel belangrijk voor mij.’
Is er een specifieke reden waarom toon zo belangrijk voor je is?
‘In Zuid-Afrika zijn er veel woorden in de verschillende talen die verschillende dingen betekenen op basis van hoe je ze intoneert. Die details fascineren me. Ik vroeg me af, wat als een zither afwijkt van de vaste compositie? Zou dat verwarring veroorzaken of iets oplossen? Hoe begrijpen ze vochtigheid? Spreekt de plas via hen? Als een manier om te voelen en als methodologie, vind ik dat een spannend idee.’
Ga je de installatie bij Kunstinstituut Melly aanpassen?
‘Omdat het in Nederland is, komt ook het aspect van vochtigheid onder zeeniveau erbij kijken. Ik werk met de kelder, de begane grond, de tweede verdieping en het dak. De detectie vindt plaats over verticale lagen, wat anders is dan de horizontale ruimte van Chisenhale Gallery. De elementen van het werk zijn dus hetzelfde, maar hun opstelling verschuift. Dat vind ik mooi aan hygrosummons: het is een veranderlijk lichaam en een methodologie die voortdurend onderhandelt met de vorm ervan.’
Deze tekst is gepubliceerd in Metropolis M Nummer 3-2025
Simnikiwe Buhlungu, hygrosummons (iter. 2), Kunstinstituut Melly, Rotterdam, 7.5 t/m 21.9.2025
Het onderzoek waaruit hygrosummons is voortgekomen, is samengebracht in de publicatie besides Puleng; dontsa-ring and roving preoccupations, die op 28 juni is gepresenteerd bij Kunstinstituut Melly.
Nele Brökelmann
is beeldend kunstenaar




