Redactioneel metropolis m nummer 5 2024
Dat is schrikken, zoveel kunstinstellingen die komend jaar dreigen te verdwijnen door het verlies van hun subsidie. Ik hoorde het getal zestig noemen, maar heb het zelf niet nageteld. Sommige mensen wijten de kaalslag aan de nieuwe, rechtse regering, alsof die haar schaduw vooruit werpt, maar de beslissingen zijn gevallen onder het oude regime, volgens de beleidsregels die in de afgelopen jaren zijn vastgelegd. Hoewel dat niet met zoveel woorden in de verantwoording van de diverse adviescommissies wordt gezegd, zie je over de volle breedte dat een nieuwe generatie instellingen aan zet is. Instellingen met een grote staat van dienst en veel internationale erkenning, worden aan kant geschoven ten gunste van kleinere, lokale en vooral goedkopere plekken, die zich sterk richten op de eigen wijk en stad. Slechts een paar grotere instellingen blijven over. Fondsen en gemeenten lijken zonder veel onderlinge coördinatie te hebben geopereerd, met gevolg dat de sector nu al, voor het aantreden van het weinig cultuur vriendelijke rechtse bewind, er verslagen bij zit en de wonden likt.
Cruciaal bij de verdeling van het budget lijkt de mate waarin de instellingen bereid zijn mee te bewegen met de nieuwe democratische, inclusieve koers die de kunstwereld op dit moment van ze verwacht. Wendbare nieuwe instellingen worden daarin meer vertrouwd dan de eigenwijze oudere, zo lijkt. Vernieuwing van het aanbod is belangrijk, vindt iedereen, maar ook het behoud van kwaliteit en een sterk internationaal netwerk. Er is veel ergernis over het gemak waarmee een streep gehaald wordt door de ondersteuning van kunstinstellingen die enkele jaren geleden door dezelfde subsidiegevers nog de hemel in geprezen werden. Is dit een goed en vertrouwenwekkend beleid? Wat voor langetermijnvisie houden subsidiegevers erop na? Er zijn steden waar het aanbod in een klap krimpt naar de omvang en het niveau van twintig jaar geleden.
Ironisch daarbij is het feit dat juist onder Zwarte kunstenaars en kunstenaars van kleur, die zich door dit beleid gesteund zouden moeten voelen, toenemend een groeiende frustratie is over het feit dat ze niet om de kwaliteit van hun kunst maar om sociaal-politieke redenen lijken te worden geselecteerd. Ze willen als goede kunstenaars getoond worden, niet als representant van bepaalde gemeenschappen. Door de huidige ruk naar rechts in de politiek, is die representatieve rol zelfs riskant geworden. Zichtbaarheid is kwetsbaar, zeker als je Zwart bent of een persoon van kleur, schrijft Vincent van Velsen in dit nummer. Hij ziet hoe de politisering van de kunst van afgelopen jaren steeds vaker een tegenreactie oproept in kunst die weliswaar kritisch is, maar op een meer verborgen manier. Zwarte kunstenaars en kunstenaars van kleur bewegen weg van figuratie en verbergen zich in abstracties, zoals op de afgelopen Whitney Biennial goed was te zien.
Misschien is het geen toeval dat Adrian Piper juist nu veel exposeert. Eerder dit jaar had ze een groot overzicht in Italië, dit najaar in Frankfurt. Al jaren ergert ze zich aan de manier waarop de kunstwereld haar in hokjes duwt en gaf ze te kennen niet langer Zwarte kunstenaar te willen worden genoemd. Ze bepaalt zelf wel hoe ze genoemd wil worden. Er zijn weinig kunstenaars die zo scherp de verhoudingen in de samenleving en de kunst blootleggen.
Domeniek Ruyters
is hoofdredacteur van Metropolis M



