
Voorbij het einde van de paddenstoel – CODA en Nieuwe Instituut laten zich inspireren door Anna Lowenhaupt Tsing
Anna Lowenhaupt Tsings boek Mushroom at the End of the World (2015) is al jaren een hit in academische en culturele kringen. Nu worden er twee tentoonstellingen gewijd. Bij CODA in Apeldoorn dient Tsing als grote insirator van een tentoonstelling die de interesse van kunstenaars in de paddenstoel onderzoekt. In het Nieuwe Instituut cureerde Tsing samen met architect en kunstenaar Feifei Zhou een tentoonstelling over paddenstoelen als anarchistische ontwerpers. Stella Kummer bezoekt beide tentoonstellingen en stelt vast dat de trendy aandacht vast van voorbijgaande aard is, maar de schimmel zelf zeker niet.
De paddenstoel dook de laatste jaren overal op: eerst als academisch sleutelbegrip dat zich razendsnel door de kunstwereld verspreidde, en nu ook als tentoonstellingsmotief. En precies om die reden had ik er inmiddels wel een beetje genoeg van. Het zegt ook iets over trends in de kunstwereld: zodra iets booming is, springt iedereen er zo snel mogelijk op. Maar wat als de trend voorbijgaat, verdwijnt het dan uit het zicht, of kan het zich verdiepen? Duurzame kunst gaat niet alleen over de materialen en de productie ervan, maar ook over onze omgang met concepten. Met die twijfels (en toch ook nieuwsgierigheid) reisde ik naar Rotterdam en Apeldoorn, in de hoop dat deze tentoonstellingen me een glimp zullen geven van wat de paddenstoel verder te bieden heeft.
Bij het Nieuwe Instituut in Rotterdam presenteert FUNGI: Anarchistische ontwerpers schimmels als ontwerpers, kunstenaars en architecten. De tentoonstelling is in drie delen opgebouwd: afbreken, ombrengen en mobiliseren. Het is verfrissend om werken te zien die schimmels niet alleen een utopische kracht toedichten, maar ook hun destructieve potentie serieus nemen. Zo worden er tekeningen getoond uit het archief van het Nieuwe Instituut die zijn aangetast door aspergillus, een schimmelsoort die op vochtig papier groeit. De vraag is daarbij niet hoe dit kan worden tegengegaan, maar hoe die onvermijdbaarheid juist omarmd kan worden. Verderop onderzoekt architect Phil Ayres hoe ‘rotting’ niet als ecologische last, maar als aanwinst kan gelden.
De tentoonstelling werd mede gecureerd door antropologe Anna Lowenhaupt Tsing, die het bekende boek Mushroom at the End of the World: Life on Capitalist Ruins (2015) schreef. In Mushroom at the End of the World volgt de antropoloog de keten van de matsutake: een paddenstoelsoort die bijzonder goed groeit in uitgeputte landschappen, ofwel de ruïnes van het kapitalisme. Tsing zoomt voortdurend in en uit: ze loopt mee met paddenstoelen plukkers in de Verenigde Staten en fijnproevers in Japan, maar verliest nooit de opslokkende machine van het kapitalisme uit haar oog. Die hybride vorm, het verzamelen van antropologische observaties, essayistische passages en persoonlijke inzichten, verklaart wellicht ook de grote populariteit in verschillende kringen.
Tsing cureerde de tentoonstelling samen met kunstenaar en architect Feifei Zhou. Het tentoonstellingsontwerp zit goed in elkaar. De teksten zijn duidelijk, maar laten ook ruimte voor nieuwsgierigheid en verwondering. Bij elk werk staat een uitleg en illustratie van de desbetreffende schimmel. Het is informatief, maar niet betweterig. In hun aanpak wordt expliciet geprobeerd beide expertises te verbinden en zo tot multidisciplinaire werken te komen. Op sommige momenten pakt dit goed uit, zoals in het video- en installatiewerk Matsutake Lead the Way (2025) van Liu Yi en Shiho Satsuka, waar de subtiele inktanimatie over de matsutake paddenstoel een eigen visuele taal weet te creëren. De zwarte lijnen weten op een simpele wijze de complexe verbindingen in het landschap te vatten. Ook de manifesten die aan het einde van de tentoonstelling groot op de muren hangen, werken overtuigend. Bospatholoog Matteo Garbelotto vertelt over hoe hij als kind een enorme porcino vindt als hij met zijn familie in Noord-Italië op paddenstoelenjacht is. Bioloog Rob Dunn beschrijft de geschiedenis van schimmels alsof het een thriller is, waarbij gisten hun ‘meesterwerk’ smeedden, door primaten ervan te overtuigen om gistend fruit te eten en zelfs fruit naar de gisten toe te brengen door het op één plek te verzamelen. Normaliter heb ik vaak moeite met zulke grote lappen tekst in tentoonstellingen, maar hier biedt het een zinvol moment van rust en wederkerigheid. Ook in het manifest van Tsing en Zhou vind ik bovendien waar ik de hele tentoonstelling naar op zoek ben: een kritische houding tegenover milieugerichte tentoonstellingen, waar ‘statische afbeeldingen’ slechts de illusie wekken van het daadwerkelijk adresseren van de klimaatkwestie. Die energie had ik al eerder in de tentoonstelling willen voelen.
Het is verfrissend om werken te zien die schimmels niet alleen een utopische kracht toedichten, maar ook hun destructieve potentie serieus nemen.
Het manifest doet me denken aan een essay van Cem. A (aka @freeze_magazine) over zogenoemde Consensus Aesthetics. ‘It’s art that looks right, sounds right, aligns with institutional values, and circulates easily, gesturing toward politics without the difficulty of being political.’ Ofwel, kunst die er politiek uitziet, maar het niet is. In relatie tot het klimaat kan dit ook wel tot greenwashing worden gerekend, of zelfs een vorm van greenwashing door artwashing, waarbij kunst de rol draagt van het apolitiek maken van een politieke boodschap.
Waar Tsing en Zhou in hun manifest ook precies op deze spanning wijzen, stuit ik bij de tentoonstelling soms op een ander probleem: niet het verhullen van politieke lading, maar het afzwakken ervan doordat kunst tot louter illustratie wordt gereduceerd. Dat wordt het meest zichtbaar in het werk I am a coprophilous fungus (2025), van mycoloog Toshimitsu Fukiharu, die hulp kreeg van ruimtelijk ontwerper Marloes Wikke en rekwisiteur Juliette Mout. Fukiharu onderzocht hoe schimmels in de darmen van olifanten planten verteren; de verteerde resten dienen in de vorm van poep weer als voeding voor andere schimmels. Wikke en Mout verbeelden dit letterlijk: op de vloer liggen grote keutels waaruit paddenstoelen groeien. Maar is dit wat zichtbaar maken betekent?
Deze letterlijkheid raakt aan de vraag hoe kunst en theorie zich tot elkaar moeten verhouden. Het is jammer als kunst vooral de taak krijgt om academische kennis te verbeelden, want niet elk theoretisch onderzoek leent zich voor een artistieke vertaling, net zomin als elk kunstwerk vanuit academische concepten te ontleden is. Daarom werken de manifesten misschien zo goed, ze doen niet alsof ze iets anders zijn. Ook de gedichten van Sylvia Plath en Adrienne Rich die aan het begin en einde hangen, zijn een mooie toevoeging. Ze laten zien hoe tekst, verbeelding en onderzoek allemaal vormen van artistieke creatie zijn.
Bij CODA in Apeldoorn wordt opnieuw duidelijk dat de combinatie van kunst en theorie niet vanzelf gaat. Hier is de tentoonstelling niet gecureerd door Tsing, maar wel naar haar boek vernoemd, dat daarmee een theoretische ingang biedt, maar ook wat meer poëtische vrijheid geeft. Het eerste wat me opvalt bij binnenkomst zijn de roze, golvende planken die onderaan de muren zijn aangebracht, als een soort verbindende fluïde draad. Deze ingreep geeft de hele ruimte een speelse lading, alsof de tentoonstellingsmakers haast willen benadrukken dat het vooral niet te theoretisch is. Die toegankelijkheid wordt duidelijker in de verklarende woordenlijst die groot op een muur te lezen is, waar termen als symbioceen en ecocentrisme worden uitgelegd.
De sculpturen van Maartje Korstanje worden bijvoorbeeld als invulling van het symbioceen getypeerd. Maar wat betekent dat precies, naast het feit dat ze samenwerkt met mensen en natuurlijke processen? Hoe gaan de werken werkelijk de dialoog aan met de concepten die op de muur worden uitgelegd? Het voelt wat geforceerd, alsof die concepten de werken kracht bij moeten zetten. Maar een werk symbiotisch noemen, maakt het dat nog niet. Het geven van een theoretische invulling maakt een kunstwerk niet altijd sterker, evenals een artistieke invulling van een theorie de ideeën ook niet vanzelf verdiept. De sculpturen van Korstanje zijn juist vanwege hun materialiteit sterk, die behoeven geen theoretische invulling of experimenteel tentoonstellingsontwerp.
Verderop kom ik een pratende boom tegen in de installatie van Persijn Broersen en Margrit Lukács. Het duo creëerde een gefragmenteerd landschap waar ik doorheen dwaal als een trippy boswandeling. Een computergegenereerde hond kijkt je indringend aan terwijl hij zingt. Een geanimeerde man loopt in een 3D-landschap en lijkt tegen de boom te zingen. De verdubbeling zorgt voor een mysterieuze sfeer, waar je het gevoel krijgt voor de gek te worden gehouden. Broersen en Lukács zoomen in en uit en laten je achter zonder antwoord te geven, maar precies dat maakt het spannend. Hier ben ik even niet bezig met de vraag of dit werk wel een geslaagd ‘interdisciplinair gesprek’ is.
Het is voor mij meestal een goed teken als ik die dingen loslaat en ze als vanzelf op hun plek vallen. Zoals bij de manifesten aan het einde van de tentoonstelling in het Nieuwe Instituut of de intrigerende foto’s van Suzette Bousema bij CODA, waarin je zowel de rhizomatische paddenstoelennetwerken als abstracte luchtfoto’s in kan terugzien. Ook de installatie van Broersen en Lukàcs biedt, juist door haar enigmatische aard, zowel intellectuele uitdaging als toegankelijkheid.
Wat beide tentoonstellingen vooral laten zien is dat trendy concepten een kunstwerk niet vanzelf relevant maken. Bij zowel CODA als het Nieuwe Instituut blijft het lastig om een volgende stap te zetten in de fungi-trend. Misschien juist doordat ze zich te veel vastklampen aan het theoretische en esthetische kader waarin deze trend ontstond. Buiten het Nieuwe Instituut loop ik langs een oude boomstronk waar verschillende paddenstoelen groeien, die Frank Bruggeman en Klaas Kuitenbrouwer samen met Bureau Stadsnatuur in kaart brengen in het werk Trunks and Stumps: Dead or Alive? (2023) Eens goed naar de zwammen kijken, blijkt toch een van mijn favoriete momenten van de tentoonstelling. Trend of geen trend, de schimmels gaan nergens heen.
METROPOLIS M KAN NIET ZONDER JE STEUN
Trouwe lezers vormen het fundament van Metropolis M. Wij kunnen niet zonder je steun. Je kunt ons steunen door een jaarabonnement af te sluiten. Het eerste jaar krijg je 40% korting. Een regulier jaarabonnement kost 58 euro. Er zijn ook kortingsabonnementen. Studenten/65plussers/CJP-ers/Personen met een minimuminkomen en PLATFORM BK-leden betalen slechts 36 euro voor hun jaarabonnement. Op DEZE PAGINA lees je meer over de verschillende abonnementssoorten en kun je je direct aanmelden.
BIJ VOORBAAT DANK!
De paddenstoel aan het einde van de wereld is tot en met 12 april te zien bij CODA in Apeldoorn
FUNGI: Anarchistische ontwerpers is tot 9 augustus te zien bij het Nieuwe Instituut
Stella Kummer
is schrijver en webredacteur bij Metropolis M






