
Wortels in het weideland – Wapke Feenstra bij Casco Art Institute
In de tentoonstelling Aarden in de Polder keert Wapke Feenstra het spanningsveld rondom landbouw en polderlandschappen binnenstebuiten. Feenstra brengt de donkere onzichtbare aarde aan de oppervlakte en toont zo datgeen wat vaak wordt overschaduwd door het publieke debat: een persoonlijke verhouding met het polderlandschap. We zien een relatie die niet eenduidig is, maar complex durft te zijn.
Wapke Feenstra woont in Rotterdam, maar heeft een lange geschiedenis met het Friese polderlandschap. Het slaan van een brug tussen stad en platteland vormt de grondtoon van haar werk. Bij Casco Art Institute laat ze zien hoe ze artistieke onderzoeksmethodes mee de polder inneemt en zo een kennisuitwisseling faciliteert die uitmondt in een rijk netwerk. Wat op het eerste gezicht een solotentoonstelling lijkt, ontvouwt zich als een netwerk van samenwerkingen. Tijdens de expositie vinden meerdere evenementen plaats waarin bezoekers actief worden uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek van dit werk.
Bij binnenkomst in Casco Art Institute word ik geconfronteerd met de keuze om links of rechts te beginnen. Hoewel mij is verteld dat er geen chronologische volgorde is, zijn de zalen genummerd en begin ik bij zaal 1. Hier stuit ik op een bibliotheekruimte, maar in plaats van boeken staan er kleine houten paletten op de schappen, elk met een andere kleur waarin de houtlijnen vaak geaccentueerd zijn. De kleuren verwijzen naar Feenstra’s innerlijke wereld en vormen samen een archief van zintuigelijke observaties. Zoals in een bibliotheek, staat er centraal in de ruimte een tafel waar bezoekers de werken van de schappen kunnen halen om ze van dichtbij kunnen bekijken. Op deze tafel vind ik de Oekraïense en Palestijnse vlag die vorige bezoekers hebben achtergelaten door de panelen in de juiste kleuren naast elkaar te leggen.
Naast deze bijdragen van de bezoekers zijn ook de schilderijen van Feenstra’s moeder, Lieske Feenstra-De Groot, te zien in deze ruimte. Om de keuze van haar dochter om naar de kunstacademie te gaan beter te begrijpen, is zij ooit begonnen met het schilderen van landschappen. Ik blijf niet lang bij de schilderijen en pas later dringt het grotere gebaar tot me door. Het is een poging om een ander te begrijpen. Deze familierelatie zet subtiel de toon voor de rest van de tentoonstelling waarin een gewortelde, persoonlijke relatie tot het landschap door de werken in de zalen wordt gedragen.
In de daaropvolgende zalen begroeten illustraties van graslandplanten, manden van wilgentakken en een grote tractorband me, waarop ik plaatsneem om een video te bekijken. In de film worden we meegenomen in een persoonlijke belevenis van de polder, waarin niet alleen Feenstra, maar ook vijf anderen hun perspectief delen. Een hedendaags polderlandschap verschijnt in beeld, maar het is het geluid dat mijn aandacht trekt. Het gedruis van windvlagen rolt over het open landschap, tot het stil wordt en ik een stem hoor. Het is herkenbaar en vervreemdend tegelijk. Schapen, vogels, de Friese taal en mensen die naar koeien loeien. Ik hoor hierin de verschillende talen die we spreken in een poging elkaar te begrijpen. In de zaaltekst lees ik dat een van de makers met wie Feenstra deze film heeft gemaakt, Zoé Crevoisier uit Frankrijk, middenin de polder terugdenkt aan de koeien uit de Jura, terwijl Gele Hailu met ze communiceert in Hamar-taal. De koeien in dit Nederlandse landschap lijken er, net als in Ethiopië, op te reageren. Het werk lijkt een zoektocht naar de juiste taal, de juiste woorden. Aan de muur zijn zinnen bevestigd, uit hout gesneden. Ze roepen beelden op van koeientongen, drukkend zeewater en ondergrondse hazenholen. Ze suggereren een onontkomelijk verband tussen cultuur en landschap en lijken te pleiten voor een vertraagde zintuigelijke ontmoeting. Aan de muur daar recht tegenover wordt bezoeker uitgenodigd om aan deze taalverzameling bij te dragen door op een klein briefje een wens aan de polder achter te laten. Ik kan maar een paar briefjes lezen, maar hun woorden over de maakbaarheid van het landschap roepen herinneringen op aan debatten over productie en beleid, die de tentoonstelling zelf juist op de achtergrond laat.
Wanneer ik de laatste zaal binnen loop wordt de opbouw van de tentoonstelling voelbaar. Begonnen bij een uiterst persoonlijke interpretatie van het polderlandschap begeef ik me nu in een internationaal netwerk. In dit laatste deel treedt deze gemeenschap van landbouwkennis volledig op de voorgrond. De ruimte doet denken aan een woonkamer, met twee banken die tegenover een tv-scherm staan waarop bezoekers met een afstandsbediening uit een selectie korte films kunnen kiezen. Naast de bank staat een gevlochten wilgenmand, zoals die ook eerder te zien was, nu gevuld met stukken stof. Het lijkt alsof er elk moment iemand kan binnenlopen om een handwerk uit de mand te halen en zich op de bank te nestelen om verder te werken. Textielwerk komt ook terug in de geborduurde kussens en het kleed waarop een landelijk tafereel is verbeeld. Langs de muren staan planken vol objecten. Het is een levendig archief van de samenwerkingen die binnen de Rural School of Economics en MyVillages zijn ontstaan. Deze netwerken die Feenstra samen met anderen heeft geïnitieerd wisselen op internationale schaal kennis en ervaring uit met betrekking tot landelijk leven. De stenen, houten sculpturen, een koeienhoorn, tekeningen, borduurwerken en meer, zijn geschenken of tastbare herinneringen aan ontmoetingen die binnen deze school plaatsvonden.
In deze ruimte wordt het netwerk bijna tastbaar, maar blijf ik er tegelijk buiten staan. De tentoonstelling ontwikkelt bij mij een verlangen om betrokken te raken bij wat hier gebeurt, bij de mensen, de uitwisseling, de bijeenkomsten. Zoals eerder genoemd, faciliteren de evenementen juist deze deelname. In het laatste weekend van de expositie, op 15 en 16 november, vindt een Farmer’s Market plaats, een kans om Feenstra’s brede netwerk te ontmoeten, lokale lekkernijen te proeven en deel te nemen aan de gesprekken waar de tentoonstelling nieuwsgierig naar maakt.
Feenstra’s werk nodigt uit om te aarden, niet in één plek, maar in de relaties die dat landschap voortdurend opnieuw tot leven brengen.
Aarden in de Polder toont hoe kunst zich kan verhouden tot het landschap zonder het te romantiseren of te problematiseren. Waar het publieke debat over landbouw vaak verzandt in tegenstellingen, laat Feenstra een manier van werken zien die relationele kennis inzet; collectief, zorgend, vragend, delend. Wat in deze expositie zichtbaar wordt is geen afgerond kunstwerk, maar een voortdurend proces van uitwisseling tussen mensen, materialen en kennisvormen die normaalgesproken veelal buiten het museumkader vallen. Casco Art Institute biedt daarvoor een vruchtbare bodem. Een plek waar onderzoek, gemeenschap en esthetiek bij elkaar komen. De tentoonstelling benadrukt dat het gesprek over landbouw niet alleen over productie en beleid hoeft te gaan, maar ook over zorg, tijd en verbeelding. Feenstra’s werk nodigt uit om te aarden, niet in één plek, maar in de relaties die dat landschap voortdurend opnieuw tot leven brengen.
Zoë Sluijs
onderzoekt als beeldend kunstenaar verhalen over ecologie en is als docent betrokken bij Sint Joost School of Art & Design.



