metropolis m

Ayşen Kaptanoğlu, The Cruelest Month, 2020 Deel van tweeluik, acryl op doek, 40×80 cm, collectie kunstenaar

Rouw kent vele gedaanten. Romy Day Winkel blikt terug op haar eerste ervaring met de dood, toen ze als kind afscheid moest nemen van haar zelfbenoemde huisdier. Ook in de hedendaagse kunst keert rouw steeds terug: tal van kunstenaars, schrijvers en rituelen onderzoeken hoe je bij het verdwijnen kunt blijven, het kunt vertragen of er ruimte voor kunt scheppen. Vanwaar deze belangstelling die zich momenteel op zoveel artistieke fronten manifesteert?

De eerste keer dat ik rouwde was om een dier, ik was zes jaar oud. Mijn moeder had net een nieuwe vriend, Jan, met wie ik graag naar het strand ging. Hij reed in een rode eend, met een radio en slechts één cassettebandje met Franse chansons. Als we op een rustige weg reden, mocht ik met mijn hoofd uit het dakraam hangen. Eenmaal aangekomen op het strand gingen we op zoek naar mooie schelpen of stukken glas, glad geslepen door het zand. Tussen de schelpen vonden we een bed van scheermessen. Die kende ik al als scherpe, holle dingen, maar nog nooit had ik gezien dat er iets in woonde. Eén schelp bewoog. Jan en ik besloten dat het beestje leefde. Ik noemde hem Tommy en nam hem mee naar huis in een emmer zeewater. 

Vanaf dat moment had ik een huisdier. Ik hield de emmer scherp in de gaten. Als ik beweging zag, was het goed. Zo ging het dagenlang, tot op een woensdagmiddag, toen mijn moeder even naar de supermarkt ging. Terwijl ik alleen in de keuken zat, dacht ik te zien dat Tommy niet meer bewoog. Op de koelkast zat een magneet met het nummer van de alarmcentrale, met het bijschrift ‘bellen bij noodgeval’. Ik belde 112 en werd toegesproken door een vriendelijke vrouw.
‘Mijn vis is dood’, snikte ik. 

Ze stelde me gerust. Misschien kon ik een doosje vinden, een kleine uitvaart houden. Daarna, stelde ze voor, mocht ik hem door de wc spoelen. Ik had het beest een vis genoemd (zacht, glibberig, spoelbaar) en dat kwam natuurlijk op haar over als een logische afloop. Maar Tommy was geen vis. Hij was een scheermes. Hard, lang, een pantser met scharnieren. Ik durfde mijn vergissing niet aan haar toe te geven. Ik bedankte de vrouw en hing op.

Even later kwam mijn moeder thuis en ik vertelde haar over het telefoongesprek. Samen hebben we een uitvaart georganiseerd. We wikkelden Tommy in een lap stof, hielden allebei een korte toespraak, en gooiden hem in de gracht. Ik had mijn huisdier willen redden, en nu moest ik ‘m begraven.
Het moment waarop verlies zich aandient en de dringende behoefte om daar een vorm voor te vinden interesseert me nog steeds. In kunst, literatuur en rituelen rondom dit onderwerp zie ik steeds weer diezelfde poging om bij het verdwijnen te blijven. Het is ook een onderwerp dat steeds vaker doorklinkt in tentoonstellingen en publicaties, kennelijk omdat de tijd erom vraagt en veel kunstenaars en beschouwers met rouw bezig zijn.

Hoe nodigen verschillende kunstenaars, schrijvers en rituelen ons uit om verlies te (ver)dragen?

Nabijheid en zorg

In Dying Livingly (2025) van Staci Bu Shea lees ik over hun kat Satomi, en hoe hen na haar dood rozenwater gebruikte om haar te wassen, haar in een handdoek wikkelde en met bloemen bedekte. Bu Shea onderzoekt wat het betekent om met sterfelijkheid te leven, niet als abstract idee, maar als dagelijkse realiteit. Het boek is geworteld in Bu Shea’s werk als curator en in hun werk in een hospice, waar hen betrokken raakte bij het begeleiden van stervenden. Zo beweegt de tekst zich bewust tussen de wereld van discursieve reflectie en de lichamelijke praktijk van zorg.

Bu Shea stelt dat sterven geen moment is, maar een toestand. De dood is er niet pas aan het einde, maar sijpelt langzaam binnen in lichamen, ruimtes en relaties. Met de term ‘dying livingly’ duidt hen een manier van leven aan die niet wegkijkt van kwetsbaarheid, verlies of afhankelijkheid, maar het er juist deel van maakt. Rouw is geen reactie op een voltooid verlies, maar een manier om mee te bewegen met dat wat al langer aan het verdwijnen was. Het kijkt naar het leven waarin het einde al rondwaart. Dit gedachtegoed wordt pas echt tastbaar wanneer Bu Shea een vriendin helpt bij de zorg voor haar pas overleden moeder, Carla. Samen wassen ze Carla’s lichaam en nadat de begrafenisondernemer haar heeft opgehaald, maakt Bu Shea een gedenkteken aan haar bed:

I position a plush bunny on top of a neat stack of as many of her pillows as I could find. I place a watercolor drawing from your niece below the pillows, and then make a vertical row of the books you had read from during the bathing ritual – including Beemdgras (1968) and Strijklicht (1971) by one of her favorite writers, the Dutch poet Judith Herzberg. Nothing could ease the pain of this loss, but I wanted you and your sister to return and not see an empty, messy bed but instead a small, carefully constructed memorial.1

Bu Shea laat zien hoe ideeën over nabijheid en zorg rondom de dood betekenis kunnen vinden in kleine, zorgvuldig uitgevoerde handelingen. Het wassen van een lichaam, het ordenen van kussens en boeken, het achterlaten van een knuffel: het zijn gebaren die het moment van verlies vasthouden zodat het niet ongemerkt voorbij gaat.

Sacrofaag van Candice Lin in Tussen Werelden, Kröller Muller Museum, 2025

Toekomstig lichaam

Misschien niet geheel toevallig speelt een kat ook een centrale rol in het aan dood en leven, materie en geest gewijde werk van Candice Lin, dat ze rond 2020 maakte. Future Sarcophagus, nu te zien in de tentoonstelling Tussen werelden in het Kröller-Müller Museum, is een sarcofaag die ze voor haar toekomstige lichaam bouwde: een langwerpige, terracotta vorm, met daarop menselijke en dierlijke figuren, waaronder enkele katten. Binnenin leven wormen, die in een traag en onzichtbaar proces materiaal composteren, als een voorbode van het lichaam dat daar in de toekomst hun voedsel wordt. Het is geen statisch grafmonument, maar een werk dat blijft veranderen, dat langzaam verteert wat erin ligt: een toekomstig lichaam, maar voorlopig nog leeg is.

Het werk kreeg een vervolg in andere gedenkplaatsen met wat ze noemt ‘katdemonen’, die voortkomen uit oude Chinese grafmonumenten die ze onderzocht toen ze Future Sarcophagus maakte. ‘Ik keek destijds veel naar zhenmuyong en zhenmushou-sculpturen – Chinese grafdemonen – die hybriden zijn van dieren, demonen en mensen, met vlammende hoofdtooien, grote oren of hoorns, of hanenkammen op hun hoofd, en die meestal met hun voeten op andere dieren stampen.’2 Ze vinden hun weg naar nieuwe gedenkplaatsen, waarin Lin niet alleen ruimte wil scheppen voor het leven maar ook de dood. Het zijn werken die niet alleen herdenken, maar ook vooruitkijken en anticiperen op het verlies dat weer de bron vormt voor nieuw leven. 

Hoeveel kunstenaars en beschouwers bezig zijn met verlies, blijkt uit het boek Missen als een ronde vorm (2023), waarin Hanne Hagenaars gesprekken met kunstenaars verzamelde over het verliezen van een geliefde, een kind, een ouder. Ze sprak ook over vriendschappen die ophielden te bestaan, verdwenen plekken en manieren van leven die niet langer mogelijk waren. De verhalen zijn vaak onaf; ze volgen geen vanzelfsprekende lijn van groei of troost. Kunstenaars vertellen hoe het verdriet in hun werk kruipt, soms letterlijk als materiaal, en soms alleen voelbaar in wat er wegblijft. Zo schuift Lebohang Kganye haar eigen lichaam in het beeld van haar overleden moeder door zichzelf in oude familiefoto’s te monteren. Ze neemt daarbij haar moeders houding aan, draagt haar kleding, en wordt zo een schaduw in scènes die ooit hebben plaatsgevonden in het leven van haar moeder. Door zichzelf letterlijk in het familiearchief te plaatsen, probeert ze een relatie voort te zetten die door de dood is onderbroken.

Die cirkelende omgang met verlies duikt ook op in de persoonlijke aanleiding voor Hagenaars’ boek. Jarenlang bleef de dood van haar moeder grotendeels onbesproken. Er hingen geen foto’s in huis, er leek geen taal te zijn voor haar moeders dood. Pas veel later begon het verdriet zich langzaam te roeren. Missen als een ronde vorm lijkt te zijn ontstaan uit die omtrekkende bewegingen; uit een poging om alsnog iets van nabijheid te vinden, zonder precies te weten hoe. Hagenaars richt zich tot haar moeder: ‘Nu is er tijd om het tekort van de stilte goed te maken. Hier, alsjeblieft, een boek.’

Marenne Welten, Kitchen Cabinets, 2022, Collectie Tegenboschvanvreden

Nieuwe gedaanten

Dit najaar krijgt het boek een vervolg in een tentoonstelling bij het Stedelijk Museum Schiedam. De tentoonstelling Missen als een ronde vorm is geen letterlijke vertaling van het boek, ook is het geen sombere tentoonstelling: ‘verdriet en pijn worden niet genegeerd, maar juist de levenskracht om met gemis om te kunnen gaan, speelt een belangrijke rol.’ Samen met het museum brengt Hagenaars kunstenaars bij elkaar die allemaal hun eigen verhaal hebben en kunst als taal gebruiken om ervaringen of herinneringen te verbeelden.

In de schilderijen van Marenne Welten die in deze expositie te zien zijn, keert ze steeds weer terug naar de woonkamer van haar ouderlijk huis: de plek waar haar moeder haar vertelde dat haar vader was overleden. Ze reconstrueert die ruimte niet een-op-een, maar roept haar op in kleur, compositie en ritme. Geen heldere herinnering, maar een stemming. In plaats van een voltooid verlies, maakt Welten ruimte voor herhaling, voor de manier waarop verdriet zich in beelden nestelt en in nieuwe gedaanten verschijnt. Haar werk heeft daarmee ook aandacht voor de traagheid van rouw. Het idee dat verlies niet per se zichtbaar is, maar zich ergens onderhuids ophoudt, en af en toe, in het juiste licht, bij de juiste geur, opnieuw naar voren komt.

Zowel Bu Shea als Hagenaars, maar ook Lins sarcofaag, vertrekken vanuit het idee dat verlies ruimte nodig heeft, en dat kunst die ruimte soms weet te scheppen. Het is een benadering waarin betekenis zich niet plots aandient als een inzicht, maar iets dat blijft knagen, schuiven en herschikken. De werken zoeken naar vormen waarin verlies tijdelijk kan schuilen. Het wassen van een kat met rozenwater, het schilderen van een kamer die alleen nog als ritme bestaat, een terracotta sarcofaag waarin wormen zich langzaam door materie bewegen. Elk werk biedt een contour waar verlies in kan achterblijven. Rouw verschijnt hier als een houding: traag, terugkerend, soms verstopt in geur of herhaling, soms abrupt en rauw, ergens op een scherm. Juist daar, waar geen sluitend verhaal mogelijk is, ontstaat iets van nabijheid. 

DEZE TEKST IS EERDER GEPUBLICEERD IN METROPOLISM NUMMER 5 – 2025 WIE IS NEDERLAND

noten

1 Staci Bu Shea, Dying Livingly, 2025 (Berlijn: Sternberg Press, Solution Series), 90.

2 Silvi Naçi, ‘Artists at Work: Candice Lin, East of Borneo’,
https://eastofborneo.org/articles/artists-at-work-candice-lin/

Het werk van Candice Lin was te zien in: Tussen werelden
Kröller-Müller Museum, Arnhem 5.7.2025 t/m 18.1.2026

Alle overige afgebeelde werken zijn te zien in de tentoonstelling: Missen als een ronde vorm – De kunst van het doorleven, Stedelijk Museum Schiedam, 27.9.2025 t/m 1.3.2026

Romy Day Winkel

werkt als schrijver en beeldend kunstenaar in Amsterdam

Gerelateerd

Recente artikelen