
Een schroothoop die zichzelf organiseert – Kenny Dunkan en Anthony Ngoya bij Jester
In Ghostly Matters bij Jester tonen Kenny Dunkan en Anthony Ngoya samen werk. Ondanks hun verschillende praktijken, is het soms moeilijk te onderscheiden welk werk van wie is, merkt Bas Blaasse op. Dit getuigt echter van de subtiele manieren waarop de beelden en materialen met elkaar in dialoog gaan. Als spoken die zich niet laten vangen.
In het boek Ghostly Matters, waar de tentoonstelling haar titel aan ontleent, stelt socioloog Avery Gordon dat spoken – echte of metaforische – de tijd kunnen kantelen. Bepaalde gebeurtenissen en vormen van onrecht verdwijnen nooit volledig, maar blijven als een soort sluimerende aanwezigheid rondwaren. Zulke ‘spoken’ verstoren volgens Gordon de scheiding tussen verleden en heden: vaak pijnlijke of verdrongen ervaringen – persoonlijk of collectief – keren terug als echo’s, restbeelden of stiltes die moeilijk te benoemen zijn, maar toch voelbaar blijven. Haunting is bij Gordon geen bovennatuurlijk fenomeen, maar een manier om te begrijpen hoe iets dat niet erkend of verwerkt is in het heden blijft doorwerken.
Die gedachte, van een verleden dat zich op onverwachte momenten aandient, vormt het uitgangspunt voor de duo-tentoonstelling van Kenny Dunkan en Anthony Ngoya bij Jester in Genk, waar Dunkan drie maanden resident was. Het is de vraag wélke spoken hier opdoemen. De tentoonstelling creëert een omgeving waarin materialen, beelden en geluiden voortdurend naar iets anders lijken te verwijzen dan wat ze op het eerste gezicht zijn, en waarin dat uitgestelde ‘iets anders’ nooit volledig vorm krijgt. Spoken, in de zin van Gordon, zijn hier zowel materiële sporen als vage herinneringen aan een menselijke aanwezigheid in een wereld die tegelijk industrieel, mechanisch en uitgeput oogt.
In de eerste ruimte staan twee halfhoge metalen constructies die het midden houden tussen zuil, draagbaar object en decorstuk. Ze zijn zeshoekig, opgebouwd uit gladde en geperforeerde platen, met bovenop een handvat en aan de zijkanten groene riemen, alsof ze bedoeld zijn (of waren) om te dragen. Hun schaal en vorm hebben iets functioneels, maar een echt duidelijke functie ontbreekt. De ene draagt een rood-oranje afbeelding, iets tussen een planeet en een cel. Aan de andere constructie hangt boven aan een franje langs de rand. De ruimte zelf is kaal: de ongestucte bakstenen muren en de lege vloer geven de indruk alsof je een bouwplaats binnenkomt die is aangeveegd. Toch voelt het op een vreemde manier verwelkomend.
Wat deze objecten uiteindelijk houvast geeft, is de grote, vale fotoprint aan de wand: de hals van een lichaam in de v-opening van een shirt met florale geometrische patronen. Door de grove korrel lijkt het beeld afkomstig uit een analoog tijdperk. Tegelijk wekt het vervaagde beeld de indruk zo vaak gekopieerd te zijn dat het bijna in zijn eigen oppervlakte wegzakt. Maar het is die aanwijzing van iets menselijks – een stukje huid – die de metalen objecten op de grond een menselijk, warm ankerpunt geeft in de anders kille, verlaten ruimte. Het draagbare karakter valt er meer door op. Het is geen verhaal, maar heroriënteert wel vrij subtiel je perspectief en de ontmoeting tussen foto en sculptuur creëert een onverwachte intimiteit tussen de ogenschijnlijk zielloze objecten.
Voordat ik de volgende zaal bereik, loop ik langs een plateau met twee aardewerken vazen die zijn omgebouwd tot luidsprekers. De klank is wat diffuus. Ik hoor vogelgeluiden en stromend water, maar vooral ruis. Boven dit haperende geluidslandschap hangt een kleine foto van een oor, omlijst door een platgeslagen metalen ruitvorm waaraan opnieuw een stukje franje hangt als een oorbel. Het lichaam verschijnt ook hier slechts in fragmenten. Het is een van de vele momenten in de tentoonstelling waar het menselijke spoor niet helemaal door de objecten lijkt te worden opgenomen, maar als van elders terug lijkt te keren.
Plotseling klinkt een luid mechanisch getril. In de tweede zaal komen twee sculpturen in beweging: metalen structuren waar tientallen Eiffeltorensleutelhangers aan hangen, die door het ritme van een motor worden gerammeld en opgeschud. Links hangt een opeengepakt cluster aan een stellage; rechts ligt een iets lossere verzameling op een metalen plateau van een transportkar. De rinkelende mini-torentjes botsen voortdurend tegen zichzelf aan. Het toeristensouvenir dat je aandacht probeert te grijpen en het mechanisme van verlangen dat voortdurend moet worden opgewekt zijn herkenbaar. Maar hier is geen handel en ook geen verkoper. Alleen een geautomatiseerd signaal dat zijn eigen logica herhaalt.
De zaal voelt daardoor best onmenselijk. Waar in de eerste ruimte de foto nog een subtiele verbondenheid tussen lichaam en object liet zien, lijkt hier iedere intentie weggevaagd door een mechanisch overwicht. De metalen toren en het dof uitgeslagen goud en zilver van de sleutelhangers verliezen alle romantiek; ze lijken eerder op een insectenkolonie die tot leven is gewekt. De sculpturen vormen een schroothoop die zichzelf organiseert, door voort te bouwen op iets dat daarvoor al bestond. Het is een wereld die in werking is gezet door zichzelf.
Opvallend is dat de oeuvres van Dunkan en Ngoya nauwelijks te onderscheiden zijn zonder de zaalplattegrond. Ze verschillen in schaal en materiaal, maar delen een gevoeligheid voor restvormen en objecten die ergens tussen infrastructuur, lichaam en decor blijven hangen, en voor beelden die telkens op de rand van herkenning verblijven. Het is geen dialoog in de gebruikelijke zin, maar eerder een gedeelde atmosfeer waarin beide kunstenaars werken aan een wereld die een eigen wil lijkt te hebben.
Helemaal achterin, in het depot van Jester, hangt een laatste video. De deuren staan open alsof je onverwacht het geheugen van de instelling mag binnenkijken. Op het scherm verschijnen kwallen, stromend water, een boom die met een kettingzaag wordt geveld, en een kind dat tegen een deur duwt die niet opengaat. De titel Tout vas bien lijkt een geruststelling, maar gebruikt, waarschijnlijk opzettelijk, niet de ‘juiste’ persoonsvorm. Daardoor wordt de geruststelling wankel, alsof de zin zichzelf tegenspreekt: alles gaat goed, behalve een heleboel.
Ghostly Matters leeft inderdaad door en met spoken, maar geeft niet helemaal prijs wat hier precies rondwaart. Sporen van lichamen in mechanische omgevingen, souvenirs die zich gedragen als machines, infrastructuren die lijken te leven en menselijke indrukken die blijven hangen in materialen die ze allang hebben afgestoten. Het voelt post-apocalyptische; het is enigszins theatraal, maar nooit dramatisch. Misschien laat de tentoonstelling, gecureerd door Karel Op ’t Eynde, zien hoe moeilijk het is om mens, object, landschap en machine nog uit elkaar te houden – en hoe de sporen die zulke hybriden achterlaten ons niet leiden naar één verhaal, maar inderdaad naar een tijdservaring waarin het verleden en het heden zich voortdurend met elkaar blijven vermengen.
De tentoonstelling Ghostly Matters van Kenny Dunkan en Anthony Ngoya is tot en met 11 januari te zien bij Jester, Genk
Bas Blaasse
is schrijver, onderzoeker en filmmaker







