
En nu de vrouw! – Radicaal: Vrouwelijke kunstenaars en modernisme 1910-1950 bij Museum Arnhem
De kunstgeschiedenis staat bomvol met mannelijke kunstenaars. Ook de periode van het modernisme wordt nog veelal gedefinieerd door ‘het mannelijk genie’ Hoe zou de geschiedenis van het artistieke modernisme eruitzien zonder deze mannen? Merthe Voorhoeve bezocht de tentoonstelling Radicaal: Vrouwelijke kunstenaars en modernisme 1910-1950 bij Museum Arnhem die een fijn voorproefje van deze alternatieve canon biedt.
Why have there been no great women artists? Die vraag stelde kunsthistoricus Linda Nochlin in 1971 in haar beroemde essay met dezelfde titel. Vandaag de dag is er gelukkig steeds meer aandacht voor de vrouwelijke kunstenaars die vanwege hun sekse ‘buiten de canon’ zijn geplaatst. Nochlin legt in haar essay de schuld bij de institutionele obstakels waar vrouwen historisch gezien tegenaan liepen: zo hadden zij geen of minder toegang tot leraren en academies, en mochten zij bijvoorbeeld geen naaktmodellen tekenen of schilderen.
Radicaal: Vrouwelijke kunstenaars en modernisme 1910-1950 neemt de periode waarin vrouwen langzamerhand meer rechten en daardoor meer toegang krijgen tot de institutionele kunstwereld als contextueel kader. Om dit moment in de tijd te vatten, sloeg het Museum Arnhem de handen ineen met het Saarlandmuseum in Saarbrücken en het Belvedere in Wenen.
Wanneer ik de eerste zaal binnenloop, stuit ik op een groot tuftdoek waarop door de tentoonstellingsmakers met grote letters in verschillende kleuren ‘radicaal’ is getuft. Het tuftdoek – een canvaskleurige stof met een okergele streep – vormt het uitgangspunt voor het tentoonstellingsontwerp, zo staan in de meeste zalen expositiewanden die zijn bekleed met deze stof. Hoewel deze keuze inhoudelijk te verantwoorden is, doordat het verwijst naar de ‘kunstnijverheid’ waar vrouwen heel lang tot beperkt werden, zal het bij veel mensen ook vragen oproepen. Mij deed het streepjespatroon in eerste instantie denken aan een schoolschrift.
Daarna beland ik in twee zalen waarin werken, veelal schilderijen, te zien zijn uit de vaste collectie van Museum Arnhem. Deze zalen vormen in feite een introductie tot de tentoonstelling, en laten ook werken zien van buiten de periode 1910-1950.
Ik sta een tijdje stil voor een foto van Melanie Bonajo met de titel Furniture Bondage 03, Janneke uit 2007. In het midden zit een naakte vrouw op haar knieën die van alle kanten vastgebonden is aan huishoudspullen: haar armen zitten vast aan de poten van een huishoudtrap, ze draagt een zwabber op haar schouders en een emmer op haar hoofd. Het is een krachtig beeld dat aantoont hoe vrouwen zich eerst – letterlijk – moeten loswurmen uit hun traditionele rol, voordat zij kunst kunnen gaan maken. De tentoonstelling richt zich verder niet op deze beperkingen, maar juist op het werk dat vrouwen decennialang ondanks die beperkingen hebben gemaakt.
Wie nog enigszins twijfelt aan de enorme verscheidenheid en kwaliteit van het werk van moderne vrouwelijke kunstenaars, bezoek het Museum Arnhem
Op de muur vind ik ook een aantal krantenknipsels, waaruit blijkt dat het museum zich al langer bezighoudt met de positie van vrouwelijke kunstenaars binnen hun collectie.Liesbeth Brandt-Corstius (1940-2022) was van 1982 tot 2000 directeur van Museum Arnhem, en besloot vanuit deze positie om vijftig procent kunst en ontwerp gemaakt door vrouwen tentoon te stellen. Een dapper en baanbrekend besluit in een tijd waarin musea nog nauwelijks werk van vrouwelijke kunstenaars presenteerden. Haar beleid heeft inmiddels vruchten afgeworpen: zo bestaat inmiddels 60 procent van de collectie na 1980 uit vrouwelijke kunstenaars.
De rest van de zalen zijn onderverdeeld in drie thema’s: kunst als daad van protest, nieuwe realiteiten/nieuwe identiteiten (waarbij de op zichzelf gerichte female gaze centraal staat) en tenslotte het abstracte experiment. De thema’s vormen een mooie leidraad en haken op effectieve wijze op elkaar in: steeds opnieuw laten ze zien hoe vrouwelijke kunstenaars het experiment omarmden en normen en waarden durfden te doorbreken.
Nederlandse en Duitstalige kunstenaars vormen een zwaartepunt binnen de selectie, met grote namen als Charley Toorop en Käthe Kollwitz. Tegelijkertijd hebben de musea geprobeerd om een zo divers mogelijk palet van kunstenaars tentoon te stellen, ook qua afkomst. Zo is er werk te zien van Gazbia Sirry, die met haar schilderijen de intersectie tussen feminisme en politiek nationalisme in Egypte in de twintigste eeuw blootlegt. Op het schilderij ‘Song of the Revolution’ (1952) zijn twee vrouwen afgebeeld die bij een piano een protestlied voorbereiden. Met de inclusie van Sirry en anderen treden de musea bewust buiten de context van het globale noorden, dat heel lang als bakermat van het modernisme werd gezien.
Het is echter jammer dat de bezoeker deze informatie zelf of in de catalogus moet opzoeken: de naambordjes vertellen vaak weinig over het werk en de kunstenaar. Hetzelfde geldt voor de zaalteksten, waar duidelijk is gekozen voor ‘kort maar krachtig’. Hoewel door deze aanpak misschien nuances verloren gaan, zijn de meeste werken sterk genoeg om voor zichzelf te spreken.
Naast vrouwen zijn er ook genderdiverse personen in de selectie opgenomen, omdat ook zij te maken hebben gehad met obstakels vanwege hun identiteit. Zo zijn er bijvoorbeeld foto’s te bewonderen van Claude Cahun, die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw al experimenteerde met een fluïde vorm van gender via diens performatieve zelfportretten. Zo poseert Cahun met een kaal hoofd en zwarte make-up op de foto ‘Self-Portrait with Shaved Head’ (1920), een vorm van genderbending die diens tijd ver vooruit was.
Radicaal: Vrouwelijke kunstenaars en modernisme 1910-1950 sluit aan bij een reeks van internationale tentoonstellingen waarbij de vrouw in de kunst eindelijk de aandacht krijgt die zij verdient. Zo moest ik denken aan de tentoonstelling Expressionists: Kandinsky, Münter and The Blue Rider die ik deze zomer in Londen bij Tate Modern heb gezien. In deze tentoonstelling wordt duidelijk dat vrouwelijke kunstenaars – zoals Gabriele Münter – essentieel waren voor de ontwikkeling van het expressionisme.
Wat beide tentoonstellingen zo goed maakt is dat zij geen ingewikkeld verhaal presenteren: vrouwen hebben net zoveel bijgedragen aan de kunst als hun mannelijke collega’s, punt. Wie nog enigszins twijfelt aan de enorme verscheidenheid en kwaliteit van het werk van moderne vrouwelijke kunstenaars, bezoek het Museum Arnhem. En wat de mannen betreft: ik heb ze niet gemist.
Radicaal – Vrouwelijke kunstenaars en modernisme 1910-1950 is nog t/m 5 januari 2025 te bezoeken bij Museum Arnhem
Merthe Voorhoeve
doet de RMA Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam en is eindredacteur van Simulacrum Magazine




