
Tussen werkelijke en denkbeeldige natuur – over Het fantastische landschap in Museum Arnhem
We zijn na honderd jaar nog lang niet uitgekeken op het surrealisme. Nadat er afgelopen tijd meer aandacht kwam voor vrouwen binnen de beweging, is er nu in Museum Arnhem een tentoonstelling gewijd aan de surrealistische kijk op natuur en ecologie. Maarten Buser bezoekt de tentoonstelling Het fantastische landschap.
Er is nog een bescheiden reep lucht zien op Max Ernsts La forêt (1927-1928), maar je kijkt toch vooral tegen een ondoordringbaar woud aan. Dat maakt het schilderij natuurlijk des te aantrekkelijker; je kunt volop fantaseren over wat zich in dat bos bevindt. De Duitse surrealist Ernst schilderde verschillende van zulke oerbossen. Ze zijn niet per se surrealistisch op een droomachtige manier, maar wel heel indringende verbeeldingen van het irrationele en een onbestemde dreiging. Stel je eens voor dat je onderbewustzijn net zo’n oerbos is. La forêt hangt momenteel in Museum Arnhem, als onderdeel van de overzichtstentoonstelling Het fantastische landschap: een nieuw perspectief op het surrealisme. Daarin staat de relatie tussen het surrealisme en de natuur centraal. Hoewel de tentoonstelling niet altijd overtuigt, doe je gaandeweg wel een aantal boeiende ontdekkingen.
Het denkbeeldige woud
Museum Arnhem is echter geen pionier in de surrealistische blik op de natuur. De eerste expositie die me te binnen schiet, is Imagine! in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Brussel). Dit grote retrospectief was in 2024 te zien, omdat het surrealisme toen haar honderdste verjaardag vierde. De breedte was de grootste aantrekking: behalve de voorspelbare en sleetse Magritte en Dalí, hingen er ook veel herontdekte (vrouwelijke) kunstenaars. Die grote hoeveelheid kunst werd wat behapbaarder door de thematische inrichting, met deelonderwerpen als ‘Het mentale landschap’ en ‘Het woud’. In die laatste categorie vond je onder meer de oerbossen van Max Ernst, maar binnen de Brusselse tentoonstelling (en de catalogus) leken ze toch vooral symbolen voor het onderbewustzijn. ‘Het woud’ en ‘Het mentale landschap’ waren daardoor eigenlijk inwisselbaar.
Het fantastische landschap doet een sterke poging om dieper in te gaan op de rol van de natuur in het historische surrealisme, maar ook bij (hedendaagse) navolgers. Een groot verschil met Imagine!, is dat de Arnhemse expositie niet poogt compleet te zijn. Dat zie je terug in de thematische nadruk, maar ook in de nationaliteiten van de kunstenaars. Museum Arnhem put bijvoorbeeld sterk uit de eigen museumcollectie, met werk van Nederlanders als Gaby Bovelander en Henk van Woerden, die latere navolgers van het surrealisme zijn. Nederland heeft weinig historische surrealisten gekend, op Joop Moesman en Melle na. Beiden zijn in Museum Arnhem vertegenwoordigd, maar hun werk oogt nogal gedateerd: te traditioneel-surrealistische droomlandschappen die weinig te maken hebben met de frisse invalshoek van de expositie. De Nederlandse inbreng voelt daarom vooral als een extraatje en niet zozeer als een integraal onderdeel van het ‘verhaal’ van de tentoonstelling.
Botanische dromen
Groot-Brittannië daarentegen kende een grotere, serieuzere surrealistische groep, die in contact stond met de Parijse surrealisten. Veel van de kunstenaars van Het fantastische landschap – historisch en hedendaags – zijn dan ook Brits. Denk aan Marion Adnams, Desmond Morris en Edith Remmington (toen) en Helen Marten en Ro Robertson (nu). Die Britse focus is niet heel vreemd, gezien de tentoonstelling eerder te zien was in het Engelse museum The Hepworth Wakefield. Toch is die Britse nadruk verrassend. In de geschiedschrijving rondom het surrealisme, lijkt de nadruk namelijk te liggen op wat er in de Franstalige wereld gebeurde en dan met name in Parijs. Dit klassieke, Franse surrealisme wordt in Museum Arnhem – ironisch genoeg – vertegenwoordigd worden door de Duitser Max Ernst en de in Engeland opgegroeide Fransman Yves Tanguy. In hun schilderijen en tekeningen zie je hoe de Parijse surrealisten de nadruk legden op de natuur als symbool voor het irrationele, zoals te zien is in Ernsts oerbossen.
De Britten daarentegen lieten zich inspireren door nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen in de biologie en ecologie. Een mooi voorbeeld daarvan is Reuben Mednikoffs April 23 and 24 (Arboreal Bliss) (1935). Dit schilderij zou de dromen van een botanische tekenaar kunnen zijn. Plantaardige en menselijke vormen lopen door elkaar. Het is een ander soort surrealisme dan je waarschijnlijk gewend bent: een versie die weigert om buiten het bos te blijven staan en te fantaseren, maar juist op veldonderzoek gaat, het onheilspellende en vreemde bos in te stappen. Die mentaliteit zie je ook terug in de schilderijen van Marion Adnams, met eierschalen, takken en zelfs een heel vogelskelet. Je krijgt de indruk dat ze die ergens heeft gevonden en er vervreemdende stillevens mee heeft gemaakt.
Mede door het Britse perspectief doet Het fantastische landschap denken aan een variant op cosy crime: een gemoedelijke plattelandsversie van detectiveverhalen en -series. Dit is surrealisme op basis van wat kunstenaars – vaak letterlijk – in de tuin hebben aangetroffen of wat er op het strand is aangespoeld. Die vondsten worden in de surrealistische context een soort symbolen voor hoe mysterieus de natuur is. Daarom dekt de titel waaronder de tentoonstelling in The Hepworth Wakefield te zien was de lading niet helemaal: Forbidden Territories. Die is ontleend aan André Breton, de paus/dictator van de Parijse beweging. Hij schreef over ‘les zones interdites de l’esprit humain’: de verboden gebieden van de menselijke geest, zoals seks en onderdrukte gevoelens.
Bij de Britten ligt de nadruk eerder op jeugdherinneringen, de betovering van de natuur en de verrassende ontdekkingen. Dat zijn eerder lastiger begaanbare dan echt verboden terreinen. Het landschap is daarbij nog steeds in sterke mate denkbeeldig en symbolisch, zo blijkt ook het essay van kunsthistoricus Tor Scott voor de catalogus. Maar het onderbewustzijn en de natuurbeleving kunnen elkaar ook voeden. Scott schrijft over de zee als symbool voor het onderbewustzijn. Over beide is nog maar zo weinig bekend en herinneringen dienen zich als een soort eb en vloed aan. Bovendien kun je op het strand allerlei schatten vinden die de zee heeft (terug)gegeven aan het land. Dat is precies het soort toeval waar de surrealisten gek op waren. Ja, dan is het landschap fantastisch, in meerdere zinnen van het woord.
Surrealisme toen en nu
Wat opvalt aan Het fantastische landschap is hoe consistent de surrealistische beeldtaal is. Officieel bestond de stroming van 1924 (het eerste manifest) tot 1969 (het einde van de surrealistische groep). Het droomachtige en irrationele karakter oefenen nog steeds veel invloed uit en met name in de schilderkunst is de beeldtaal erg consistent gebleven. Stel, je zet me een mes op de keel en dwingt me om binnen een paar seconden te zeggen welk kunstwerk eerder is gemaakt: Nicolas Party’s Landscape van of Conroy Maddox’ Reflections? Ik zou het echt niet weten. Spoiler alert: Reflections komt uit 1969; Landscape uit 2022. Het had ook heel goed andersom kunnen zijn. Een probleem is dat niet, want door die stijl doet de tentoonstelling over de gehele linie fris en fantasievol aan. Er valt op visueel vlak veel te ontdekken: enorme menselijke organen middenin berglandschappen, wezens die half mens en half dier zijn, en andere natuur die alleen in je verbeelding zou kunnen bestaan.
Maar omdat de beeldtaal geen enorme groei heeft doorgemaakt, bekruipt me toch het gevoel dat dat ook voor de bijhorende inhoud geldt. Waar klimaatverandering misschien wel een van de grootste thema is in de kunst van nu, speelt dat onderwerp geen overtuigende rol in de tentoonstelling. De explicietste verwijzing naar die thematiek is het schilderij Solastalgia (2024) van María Berrío. Je ziet een vrouw met een weinig vrolijke blik in een soort zwembadje liggen, met haar kleren aan. De titel Solastalgia staat voor stressgevoelens die ontstaan door klimaatverandering. Is de aarde inmiddels tot onleefbare temperaturen opgewarmd? De thematiek is er weliswaar, maar echt surrealistisch wil het visueel niet worden. Het schilderij getuigt eerder van een soort figuratief realisme met expressieve kleuren.
Vastklampen aan nostalgie?
Ook valt op dat de meeste hedendaagse landschappen nog tamelijk idyllisch ogen, alsof ze gebaseerd zijn op herinneringen aan betere tijden. Verwijzingen naar vervuiling of uitputting van de aarde ontbreken, terwijl die er wél zijn, bij kunstenaars als Camille Henrot en Anouk Kruithof, wier werk ook sterk surrealistische kenmerken vertoont. Wil het normaal zo sociaal betrokken Museum Arnhem je naar huis sturen met het gevoel dat het vroeger veel beter ging met de natuur en dat je je daar maar aan moet vastklampen? Ik kan het me nauwelijks voorstellen.
Er zijn gelukkig twee kunstenaars die hoopvoller stemmen. Eentje was al in Forbidden Territories te zien: Shuvinai Ashoona, van Inuït-afkomst. Haar tekening Composition (Monster Pulling Roots) (2020) toont een poollandschap waarin mens, dier en mythisch wezen samenleven. Er zit enige spanning in, maar toch: ze lijken elkaar hun plek te gunnen. Een vergelijkbaar gevoel spreekt uit de collageschilderijen van de Portugees-Nederlandse Maria Beatriz, afkomstig uit de Arnhemse collectie. Ze heten Toute une vie au bord de la mer (1986-1987): een heel leven aan zee.
Hoe bescheiden van formaat ze ook zijn, er spreekt een grote hoop uit: mens en dier die samenleven, in een waterrijke omgeving. Een van de collages is een duidelijke toespeling op het verhaal van Leda en de zwaan. De Griekse god en schuinsmarcheerder Zeus veranderde zichzelf in een zwaan om Leda te verkrachten. Het was een favoriete mythe onder de historische surrealisten, die dol waren op metamorfoses en erotiek. In Beatriz’ versie lijkt er van seksueel geweld geen sprake, maar leven de vrouw en de grote watervogel samen. Laat het een oproep zijn om terug te kijken op de natuur, maar de blik naar voren te richten.
Het fantastische landschap is tot en met 22 februari te zien bij Museum Arnhem.
Maarten Buser
is dichter en kunstcriticus





