
Uitgekeken op de genocide – over zwijgen en actie in de Nederlandse kunstwereld
De oorlog in Gaza duurt inmiddels een jaar en heeft het leven gekost aan meer dan 40.000 Palestijnen. In de kunstwereld bleef het al die tijd vrij stil. Enkele instellingen toonden hun solidariteit, door bijvoorbeeld debatten te organiseren, en onderdak te geven aan activisten, maar het gros van de kunstinstellingen sprak zich niet uit over de oorlog en bleef afzijdig. Hoe wordt dat beoordeeld in kringen van activisten? Maia Kenney sprak met drie betrokkenen.
Burn. The House. Down. Ik vraag het hem nog een keer te zeggen en hij gromt het nog eens, op lagere toon: Burn. The House. Down. Het is een verontrustend begin van mijn onderzoek naar de reactie van de Nederlandse kunstinstellingen op de geëscaleerde genocide1 in Gaza van afgelopen jaar.
Ik praat met Juha van ’t Zelfde, kunstenaar, docent en lid van Not Surprised Collective. Burn it down. Hij vindt dat de Nederlandse kunstwereld de grenzen van haar neoliberale apolitiek heeft bereikt. Zij dient niets anders dan het kapitaal en haar cultureel cachet. De woede en frustratie over de toestand in de kunst heeft een kritische massa bereikt. Om vooruit te komen moeten we haar grotendeels achter ons laten.
Er woedt al bijna een jaar een oorlog tegen Palestijnen in Gaza. Het officiële dodental is opgelopen tot 40.000 (update september). De Nederlandse regering is Israël blijven steunen in, zoals dat werd genoemd, ‘recht op zelfverdediging’, en heeft het land ondanks het buitensporige geweld geen enkele sanctie opgelegd. Ik wil de gevoelens begrijpen van in Nederland gevestigde kunstwerkers ten opzichte van de instellingen die in actie zijn gekomen en de instellingen die dat niet hebben gedaan. Over het geheel gezien valt vooral het gebrek aan actie op. Het doet denken aan de schijnveiligheid die voortkomt uit de Nederlandse weigering om met het koloniale verleden en heden om te gaan.
Ik sprak met drie mensen wier werk al lang voor oktober vorig jaar in dienst staat van de Palestijnse bevrijding. Een in Nederland gevestigde curator, de Palestijnse kunstenaar ‘N’ (ook hier gevestigd), en de al genoemde Juha helpen me de impasse te begrijpen waarin de Nederlandse kunstwereld is beland*. De passiviteit en vervreemding die zij allen beschrijven is ernstig, een symptoom van een maatschappij die werkt op schuld en apathie.
De censuur in Duitsland was het afgelopen jaar verschrikkelijk, je mocht en kon niks zeggen ten gunste van Palestina, werd direct verdacht van antisemitisme. In Nederland waren er geen consequenties als je dat deed, geen spraakmakende annuleringen van tentoonstellingen of optredens, niemand verloor zijn baan omdat hij zich uitsprak tegen de Israëlische apartheid. Er zijn Palestijnse kunstenaars uitgenodigd om hun werk in dit land te tonen, er zijn actieve netwerken voor protest. Daar staat tegenover dat de Nederlandse politie met geweld heeft gereageerd op de studentenprotesten en kampementen, waardoor het wantrouwen in de staat is toegenomen. Het heeft niet geleid tot steunverklaringen vanuit kunstinstellingen. Ze deden er massaal het zwijgen toe en zijn niet tussenbeide gekomen om aan te geven dat ze het niet eens zijn met het standpunt van de staat. Het heeft geleid tot vervreemding van de actievoerders van de kunstwereld, waar ze zich niet meer thuisvoelen.
Vanuit het perspectief van de kunstwereld kende het afgelopen jaar van de genocide meerdere stadia. Zowel N als de curator vertellen dat er in de eerste, reactionaire periode (oktober tot januari), angst heerste. Overal in het land vonden er tegelijkertijd veel gesprekken plaats bij ruimtes die rechtvaardigheid in hun mandaat hebben ingebouwd (zoals BAK, Framer Framed, Casco en Metro54). Deze plekken waren goed voorbereid om meteen in actie te komen, ze openden hun deuren voor demonstranten, namen deel aan stakingen, benaderden hun netwerken en organiseerden inzamelingsacties, panels en wat dies meer zij. Maar er waren ook veel ruimtes en musea onvoorbereid, of gewoon niet bereid of in staat te reageren op de geëscaleerde genocide. In die eerste periode riepen curatoren en kunstenaars op tot actie, maar in veel gevallen lukte het hen niet de instellingen ook tot actie te bewegen.
Voor de curator onder mijn gesprekspartners is de tijdlijn logisch: musea en de culturele wereld opereren traag. ‘Iedereen probeert nog steeds de woorden, de middelen, de instrumenten te vinden om over zoiets verschrikkelijks als [de genocide] te communiceren. Het probleem, wanneer je te maken hebt met conflicten en sociaal-politieke geschiedenissen, is dat een langere geschiedenis kent, en niet, zoals hier pas begon op 7 oktober. Het gaat over een complexe geschiedenis, over de politiek van het land en religie. Het kost tijd om manieren te vinden om dit op een zinvolle manier in de cultuur te verwerken, zodat het de nodige impact kan hebben. Maar dat betekent niet dat er buiten die structuren geen actie kan worden ondernomen.’
Naarmate de tijd verstreek, werd het stilzwijgen geniepiger en achterbakser. De gevolgen ervan worden langzaam zichtbaar, voortbordurend op een golf van passiviteit, afstand en geduld die het geboorterecht lijken te zijn van het Westen. Het is een stilzwijgen dat kan rekenen op de steun van de Nederlandse regering, die Israël openlijk economisch, militair en cultureel steunt. Ondertussen stelde het Mondriaanfonds geen noodfonds beschikbaar voor Palestijnse kunstenaars, zoals het dat wel deed voor Oekraïners in 2022. Een samenleving die niet wil afrekenen met haar koloniale verleden is een samenleving waarvan de culturele ruimten unaniem Black Lives Matter en Oekraïne kunnen steunen, maar zich indekken als het op Palestina aankomt.
In juni vroeg Not Surprised Collective bij het Stedelijk Museum een bruikleen aan van Ahmet Öğüts Bakunin’s Barricade in een poging de boel op te schudden en de studentenkampementen onder de aandacht van het kunstestablishment te brengen. Bij zijn vertoning in het museum, enkele jaren hing de kunstenaar een brief op dat kopers van dit werk bereid moeten zijn het werk, mét de daarop hangende kunst, in tijden van humanitaire crisis moeten uitlenen, als daarom wordt gevraagd, zodat het daadwerkelijk als barricade op straat kan dienen. Maar toen het collectief er bij het Stedelijk om vroeg, weigerde het museum, en bleek het aankoopcontract te zijn gewijzigd, zodat het museum hier niet meer toe gehouden was. De affaire, waarin zowel het museum als de kunstenaar bereid bleken concessies te doen aan de geest van het oorspronkelijke werk, vergrootte de kloof tussen kunstenaars en studenten, het jonge publiek en de smaakmakende instellingen. Volgens Juha is dit falen, dat hier zo pijnlijk aan het licht kwam, structureel, een falen van vertrouwen en van solidariteit.
Tegen de apathie
En nu, 11 maanden later? ‘We zijn de genocide beu.’ N levert scherpe kritiek op de apathie die ze heeft waargenomen in de afgelopen twee jaar dat ze als kunstenaar in Nederland woont en werkt. Hoewel activisme en kunst in dit land een lange en gezonde relatie heeft, heeft het activisme aan kracht ingeboed, het is een consumptieartikel geworden: het onderwerp wordt weggegooid als het niet langer boeit. Dit standpunt is inherent onverenigbaar met het uithoudingsvermogen dat nodig is om te waken over de tijdschaal van crises zoals genocide.
Juha gaf me dit gedicht van Bertolt Brecht: ‘In de donkere tijden / zal er ook gezongen worden? / Ja, er zal gezongen worden / Over de donkere tijden.’ Hoe toepasselijk dit ook is, Brecht belicht niet de creativiteit en schoonheid die voortkomen uit horror, zoals vaak wordt gedacht. Hij beschrijft de tunnelvisie, het krimpen van de cultuur wanneer extreem geweld een samenleving teistert. Met geweld bedoel ik niet alleen de beschietingen van Gaza, maar ook het politieoptreden tegen protestkampementen in Europa, het leveren van wapens aan Israël en, ten slotte, de weigering van kunstinstellingen zich op dit vlak te uiten.
Zoals N het zo treffend verwoordde: ‘Wat betekent kunstproductie eigenlijk als we midden in een genocide zitten?’ Anders dan de lethargie en passiviteit, waar de musea zich in hullen. Als de urgentie benut wordt, is alles mogelijk. Ik zag deze zomer afstudeerprojecten en tentoonstellingen zoals Imagine Home in het Noordbrabants Museum en The Place Where I Was Condemned to Live in De Appel die proactief met de genocide omgingen. Zonder veel tamtam gebruikten kunstenaars en curatoren hun positie om de manieren van begrip, verandering en collectiviteit te vergroten.
De curator met wie ik spreek is geïnteresseerd in hoe deze posities kunnen worden versterkt vanuit instellingen waarvan het mandaat voortkomt uit de naoorlogse afwegingen met betrekking tot antisemitisme en een verschuivend Europa. Een uitdaging is om niet gevangen te raken in de fantasie van representatie en reproductie, maar naar voren te treden, zich uit te spreken en actie te voeren. Juist omdat openbare kunstorganisaties in de EU, afhankelijk als ze zijn van subsidies, geen macht hebben, is deze activistische benadering de enige optie. Grote instellingen hebben de nabijheid van het onbestuurbare nodig, de ‘ondergrondse beweging’, om hun legitimiteit te vestigen. De focus zou daarom moeten liggen op ‘het ondersteunen en creëren van kritische ruimtes voor reflectie en actie buiten de institutionele en museummuren (of gevestigde structuren)’, onvolmaakte maar noodzakelijke interventies in de marge van traag bewegende culturele bureaucratieën. Gevoed door niet-institutionele laboratoria en collectieven die actie en solidariteit leiden, zijn zij de proeftuinen die ‘uiteindelijk invloed hebben op de manier waarop de gevestigde orde is gestructureerd. ‘Dat zal zijn weerklank krijgen in de hele cultuur’, zegt de curator, ‘maar daarvan hebben we de vruchten helaas nog niet gezien.’
Dus wat kan er gedaan worden? ‘Het is niet mijn rol om mensen voor te lichten. Ik heb andere gevechten te voeren’, vertelt N. ‘Het moet ook van [witte] Europeanen komen, niet alleen van gemarginaliseerde groepen.’ Dat is uiteindelijk de sleutel. Juha, de curator en N geven allemaal aan dat de enige uitweg voortdurende inspanning is. ‘Het is verstandig als we onze aandacht en onze middelen richten op het creëren van een andere kunstwereld in plaats van vast te houden aan deze. Solidariteit is het antwoord; samenwerking is het antwoord; wederzijdse hulp is nodig’, besluit Juha. Kunst alleen kan geen verbinding maken met een apathisch publiek; protest en activisme hebben een breder bereik en kunnen nieuwkomers in de culturele ruimten brengen die voor diepgang, kennis en begrip kunnen zorgen.
Er staat veel op de agenda: er moet een staakt het vuren komen, de genocide moet dringend worden gestopt en Palestina moet een soevereine staat worden. De Nederlandse kunstsector moet zich rekenschap geven van de medeplichtigheid in eigen gelederen en ermee afrekenen; nieuwe structuren moeten worden bedacht en geïmplementeerd onder begeleiding van collectieven die zich hier al langer op voorbereiden. Zie het groot, zie het breed, het is nu niet de tijd om op te geven. Of we nu herstructureren vanuit de buik van het beest of het afbranden en herbouwen, het is nu niet het moment om op te geven.
Maia Kenney is schrijver en curator en redacteur van The Couch
*De namen van de personen met wie de auteur gesproken heeft maar die er de voorkeur aan geven anoniem te blijven zijn bekend bij de redactie.
1 Op 26 januari 2024 besloot Het Internationale Hof van Justitie in Den Haag ‘at least some of the acts and omissions alleged by South Africa to have been committed by Israel in Gaza appear to be capable of falling within the provisions of the [Genocide] Convention’; in juli van dit jaar bepaalde dat de illegale nederzettingen van Israël op de West-Bank en het daar uitgeoefende geweld leiden tot Apartheid. Ik hanteer deze termen , ook al worden ze bestreden door Israël en zijn bondgenoten. https://www.icj-cij.org/node/203454; https://www.hrw.org/news/2024/07/19/world-court-finds-israel-responsible-apartheid
Maia Kenney
is an independent curator working on promoting marginalized voices in cultural institutions






