metropolis m

Kim Gemmink, ‘Exposed’, KABK fashion show 2025. Foto: Giulia Gaburro

Elk jaar tonen de afstudeerders van de bachelor Textiel en Mode aan de KABK hun afstudeercollecties in een gezamenlijke modeshow. Karmen Samson bezoekt dit jaar de Exposed show waar ze onder de indruk is van de manieren waarop de ontwerpers de performativiteit van mode omarmen en de complexe balans tussen kunst en commercie een plek weten te geven.

Op een klamme zomerse namiddag spoed ik mij door de Haagse Megastores. Door de grote leegstand oogt het 85.000 m² complex verloren en verlaten. Hoewel het tegen sluitingstijd is, krijg ik niet de indruk dat het overdag veel levendiger is. Lichtelijk gedesoriënteerd zoek ik naar signalen of tekenen dat hier een modeshow zal plaatsvinden. De lineaire passage lijkt eindeloos.

Aan het einde van de gang, naast de Aldi en tegenover de McDonald’s, zie ik een groep mensen staan. Hun opwinding en expressieve uitstraling vormen een scherp contrast met de matte leegte van de omgeving. Hier moet het zijn. Te midden van deze banaliteit van consumptie vindt de modeshow van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) plaats, met afstudeercollecties van Bessel Bloem, Marijn Brinksma, Renée Buitendijk, Kim Gemmink, Carina Georgescu, June Gibbs, Jungyun Jang, Riet Pedro, Hiromu Takeshita, Simon Vallez Veldkamp, Asira Wiegers, Bas Pol en Zhenyi Zhou.

SPACE I
In een ruimte die volledig is ontdaan van haar oorspronkelijke functie als retailomgeving, kaal, donker en industrieel, neem ik plaats op een grijze klapstoel, een van de vele in strakke rijen opgesteld rond het middelpunt: een grote kobaltblauwe stip die markeert waar over enkele momenten de afstudeerwerken getoond zullen worden.

De setting klinkt wellicht statisch. En als je puur naar het raamwerk kijkt, is dat ook zo. Maar wat zich binnen dat strakke kader ontvouwt, is verrassend dynamisch. Waar de klassieke modeshow zich kenmerkt door een rigide choreografie van modellen die één voor één over een catwalk bewegen, geflankeerd door toeschouwers, kort poseren ter fotodocumentatie, vervolgens in stoïcijnse tred terugkeren, kiezen de studenten van de KABK voor een experimentele, performatieve benadering van hun collectiepresentatie.

ACT I
In The Corners Of A Circle breekt Kim Gemmink met de rigide structuur van de klassieke modeshow door dans als expressiemiddel in te zetten. Vanuit de vier hoeken van de ruimte bewegen vier performers zich richting het centraal gelegen kobaltblauwe punt. Daar ontvouwt zich een choreografie waarin het lichaam niet slechts drager is van kleding, maar actief onderdeel van een verhaal wordt. De performers dragen elk een clownesk gestreept pak in een andere kleur: groen, rood, oranje en blauw. Daaroverheen dragen ze een unieke tweede laag in verschillende vormen, zoals een hesje, jasje of rok. Ondanks die variatie ontstaat er toch een uniform geheel dankzij de cirkelvormige aard van alle stukken, waarvan de patroonstukken met lussen aan elkaar zijn geknoopt. De toevoeging van bijpassende puntmutsen versterkt het speelse en theatrale beeld, waarbij de kobaltblauwe middenstip doet denken aan een circusring. Al dansend trekken de performers de lussen van hun overlagen los en leggen deze, ontdaan van hun lichamen, op de grond neer. Later worden deze kledingstukken door andere dansers weer opgepakt en opnieuw aangetrokken. Deze circulerende handeling maakt tastbaar hoe identiteit zich niet statisch laat vastleggen, maar voortdurend in beweging is tussen personen, tussen rollen, tussen relaties.

Ook Jungyun Jang bevraagt in haar collectie The Suffer Hill – It Was a Forest de grenzen van de traditionele catwalk, door deze te transformeren tot een ritueel van meditatieve beweging. Zowel de collectie als de show zelf putten zowel visueel als symbolisch uit het traditionele Seung-mu kostuum, dat zijn oorsprong vindt in het gewaad van boeddhistische monniken en elementen bevat van de klassieke Koreaanse Hanbok klederdracht. Deze invloeden komen tot uiting in de aanwezigheid van de Jang-sam (doorgaans een rode mantel met lange mouwen) gecombineerd met baji-jeo-go-ri (broek) of chi-ma-jeo-go-ri (rok), en de jeo-go-ri (een kort jasje), door Jang op moderne wijze uitgevoerd in traditionele Koreaanse zijde in combinatie met technische stoffen zoals ripstop en nylon. Met vloeiende, langzame arm- en handbewegingen en zorgvuldig geplaatste, beheerst ritmische voetstappen beweegt het eerste model diagonaal over de vloer. De jang-sam is verlengd met een lange sleep die zachtjes haar bewegingen volgt. Vanuit de hoek waar ze verschijnt, is het niet duidelijk hoe lang de sleep werkelijk is. Met elke stap ontvouwt de stof zich verder, langer, steeds dominanter aanwezig. Het schept een innemend en sereen beeld dat het publiek voelbaar in z’n greep houdt. Bij het bereiken van het einde van de ruimte laat ze de sleep als een spoor achter. Met een bedachtzame draai richt ze haar blik op de achtergelaten stof en nodigt daarmee als het ware de volgende modellen uit. Deze betreden vervolgens, dansend in Seung-mu-geïnspireerde bewegingen, op bijna rituele wijze de zojuist ontstane, delicate catwalk.

SPACE II
Uit deze collecties en de wijze waarop ze worden gepresenteerd, spreekt een grote mate van artistieke ontwikkeling, gedreven door persoonlijke fascinaties, maatschappelijke reflecties en esthetische experimenten. Toch worden ze getoond in een context die in alles lijkt te draaien om het tegenovergestelde: commercie, standaardisatie en confectie. Dit contrast was aanvankelijk ook de reden dat ik gedesoriënteerd door het winkelcentrum liep, onzeker over de juistheid van de locatie. Er ontstaat een bijzondere spanning en een zekere lichtheid. Spanning, omdat deze presentatie functioneert als een interventie in kapitalistische structuren, waarin artistieke autonomie moeiteloos kan worden geabsorbeerd. Lichtheid, omdat het onderstreept dat we leven in een postmoderne situatie, waarin de grenzen tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur zijn vervaagd, en artistieke expressie overal kan plaatsvinden.

In tegenstelling tot kunstkritiek, die vaak nog vasthoudt aan autonomie-idealen, beweegt mode zich uiterst gemakkelijk juist binnen het commerciële kader. Een modeshow belichaamt bij uitstek het vervagen van de grens tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur: het is de presentatie van een kunstvorm binnen een van oudsher uitgesproken commerciële setting, bedoeld voor inkopers, niet voor publiek of cultuurconsumenten. Het feit dat een show slechts één keer plaatsvindt, onderstreept deze functie als besloten verkoopmoment eerder dan als herhaalbare democratische culturele ervaring. Tegelijkertijd laat mode zich niet reduceren tot enkel commercie: het is onomstotelijk ook een vorm van artistieke en culturele expressie. De performatieve elementen die steeds vaker onderdeel zijn van de shows, van scenografie tot choreografie en installaties, compliceren die artistieke kern en trekken de modeshow tevens richting het domein van de kunst.

​​In die zin vormt deze setting van Exposure een schoolvoorbeeld van wat Lash en Urry in Economies of Signs and Space beschrijven als de-differentiation: het oplossen van traditionele grenzen tussen economie, cultuur en ruimte. Waar deze domeinen ooit gescheiden waren, stellen zij dat deze in het laatkapitalisme fundamenteel zijn vervlochten. In het laatkapitalisme is cultuur zélf economie geworden.

Wat op het eerste gezicht een disjunctie lijkt tussen artistieke intentie en een banale locatie, blijkt bij nadere beschouwing juist een kritische ingreep vanuit de kunstacademie in het creatieve commerciële veld. Een commentaar op de banaliteit van consumptieruimtes en de vercommercialisering van creativiteit. Maar ook een daad van toe-eigening: een poging om een gestandaardiseerde plek, waar commercie het monopolie voert, opnieuw te laden met symbolische en artistieke waarde. In het oog van deze cult-commerce-cycloon weten de studenten van de KABK zich krachtig te profileren als autonome makers die hun positie binnen dit diffuse krachtenveld strategisch en bewust vormgeven.

ACT II
Deze navigatie strekt zich ook uit tot het genderdiscours. In winkelcentra wordt mode doorgaans gepresenteerd als product, ingedeeld onder de binaire categorieën ‘man’ of ‘vrouw’, met daaraan inherent een overvloed aan stereotypen en beperkende genderrollen.

Marijn Brinksma’s Forth feh-rahn collectie doorbreekt die conventie en benadert mode als expressie van identiteit, als persoonlijk verhaal, als een teken dat bewust afwijkt van de norm. In hun collectie worden gendercodes en de bijbehorende symboliek herschikt tot een nieuwe vormentaal, waarin autonome identiteit wordt gevierd. Een sprekend voorbeeld is een statig broekpak in corporate grijs, waarvan de onderzoom van het colbert is afgewerkt met een weelderige hoeveelheid plooien. Deze lijken bevestigd op een onderstructuur die doet denken aan de crinoline: een hoepelrok uit de periode 1850–1870, bedoeld om kleding een extreem wijdere, en als ‘vrouwelijk’ gecodeerde vorm te geven. Het resultaat is een visuele samensmelting van twee genderstereotypen: de masculine Wall Street zakenman en de aristocratische hofdame. Het lichaam is geen vast referentiepunt, maar een tijdelijke drager van betekenissen die steeds opnieuw ge(de)construeerd worden.

June Gibbs bevraagt op vergelijkbare wijze gender en de verwachtingen die daaraan kleven. Haar collectie More or Less onderzoekt, naar eigen zeggen, ‘the desire to become the ideal woman but ending up in absurdities and imposed identities.’ Gibbs’ werk bevat verwijzingen naar het beeld van de jaren vijftig-huisvrouw. Het eerste model belichaamt dit ideaal ogenschijnlijk perfect: haar make-up is feilloos aangebracht, geen haar van haar vlammend oranje, buitenwaarts gekrulde bob zit uit de plooi. Gehuld in scarlet-red panty’s en zwartgelakte stiletto’s beweegt ze zich verleidelijk en beheerst door de ruimte.

De daaropvolgende modellen wijken subtiel, maar steeds radicaler, af van dit ideaalbeeld. Ze dragen maskers met zwaarder aangezette make-up en jurken van kant en doorschijnende stoffen, waar de zichtbare constructies van jarretels zichtbaar zijn. Ze verzamelen zich op het centrale punt in de ruimte, waar ze beginnen te dansen; met elkaar, maar, zoals een vrouw zich altijd bewust is van voyeuristische blikken, ook voor het publiek. Gibbs overdrijft ‘vrouwelijkheid’ en stelt daarmee vragen over wat dit betekent binnen een systeem dat schoonheid en identiteit reduceert tot gestandaardiseerde, meetbare normen.

De leegstand van de Megastores valt deels te verklaren: het complex is verkocht en zal binnenkort plaatsmaken voor woningbouw. Dat deze verkoop noodzakelijk was, zegt veel over het falen van het oorspronkelijke concept. Wellicht is dat ook wat Exposed deels tracht bloot te leggen: dat in een verschralend cultureel landschap het consumentisme zich op bepaalde plekken en in specifieke situaties terugtrekt. Dat ruimtes, net als mensen, geen vaste kaders kennen maar voortdurend in ontwikkeling zijn. Dat waar kunstwerken onder het mom van artificatie ten behoeve van commercie worden ingezet, commerciële omhulsels ook gede-differentieerd kunnen worden tot nieuwe culturele contexten waarin gender, subcultuur en identiteit gevierd mogen worden. In dit specifieke geval fungeerde de modeshow niet als etalage, maar als een podium voor ruimteonderzoek. De KABK-graduates toonden hoe mode moeiteloos kan bewegen tussen Aldi en avant-garde, en bieden daarmee hoop dat cultuur niet verloren gaat aan commercie, maar juist zal zegevieren.

De modeshow vond plaats op 20 juni.

De KABK Graduation Show vindt van 3 tot 8 juli plaats. Het werk de afstudeerders van Fashion and Textile zal ook daar te zien zijn

OOK DIT JAAR PRESENTEREN WE WEER EEN GRADUATION SPECIAL MET PORTRETTEN VAN 70 AFSTUDEERDERS BIJ METROPOLIS M NUMMER 4 – AUGUSTUS-SEPTEMBER. ALS JE JE VOOR AUGUSTUS ABONNEERT STUREN WE JE HEM GRATIS TOE. MAIL [email protected]

Karmen Samson

is modebeoefenaar en onderzoeker met interesses in materiële cultuur en museologie

Gerelateerd

Recente artikelen